ECLI:NL:HR:2005:AT6200

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02438/04 U II
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Overeenkomst uitlevering EUArt. K.3 Verdrag betreffende de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart uitlevering van Nederlandse onderdaan aan België ontoelaatbaar wegens voorbehoud bij uitleveringsverdrag

De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een Nederlandse onderdaan aan het Koninkrijk België ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die in België is opgelegd. De Hoge Raad heeft in eerdere arresten het onderzoek heropend en aanvullende vragen gesteld aan de Belgische Minister van Justitie.

Na ontvangst van een definitief verstekvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, dat de opgelegde straf bevestigt, heeft de Hoge Raad het uitleveringsverzoek nader beoordeeld. Gezien het feit dat het verzoek strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tegen een Nederlandse onderdaan, heeft Nederland een voorbehoud gemaakt bij artikel 7, eerste lid, van de Overeenkomst inzake uitlevering tussen EU-lidstaten.

Op grond van dit voorbehoud heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uitlevering ontoelaatbaar is en heeft het verzoek afgewezen. De uitspraak is gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 24 mei 2005.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar en wijst het verzoek af.

Uitspraak

24 mei 2005
Strafkamer
nr. 02438/04 U II
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
inzake het verzoek tot uitlevering aan het Koninkrijk België van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats].
1. De procesgang
1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 18 januari 2005. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad - onder heropening van het ter zitting van 21 december 2004 gesloten onderzoek - de stukken in handen gesteld van zijn Procureur-Generaal ter beantwoording door de Belgische Minister van Justitie van de in dat arrest omschreven vragen.
1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 12 april 2005 is de schriftelijke samenvatting overgelegd van de opvatting van de Advocaat-Generaal Jörg omtrent het verzoek tot uitlevering. Die samenvatting strekt tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, is in de gelegenheid gesteld tot het geven van schriftelijk commentaar op de opvatting van de Advocaat-Generaal.
2. Nadere beoordeling van het verzoek tot uitlevering
2.1. Ten vervolge op het hiervoor onder 1.1 genoemde arrest van de Hoge Raad is namens de Belgische Minister van Justitie bij schrijven van 6 april 2005 bericht dat het in het uitleveringsverzoek genoemde verstekvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 mei 2001 definitief is geworden, zodat het verzoek strekt ter tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die aan de opgeëiste persoon bij dat vonnis is opgelegd.
2.2. Nu het uitleveringsverzoek strekt ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf welke is opgelegd aan de opgeëiste persoon, die Nederlands onderdaan is, moet - gelet op het door Nederland gemaakte voorbehoud bij art. 7, eerste lid, van de Overeenkomst, opgesteld op grond van art. K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie - de uitlevering ontoelaatbaar worden verklaard.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verzochte uitlevering ontoelaatbaar.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 24 mei 2005.