ECLI:NL:HR:2005:AU2716

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03676/04 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Gezondheids- en Welzijnswet voor dierenArt. 31 Gezondheids- en Welzijnswet voor dierenArt. 89 GrondwetArt. 4 BekendmakingswetArt. 7 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake bekendmaking Tijdelijke regeling vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer

De verdachte werd door het Hof in hoger beroep veroordeeld wegens overtreding van een voorschrift krachtens artikel 17 van Pro de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. Het cassatieberoep richtte zich tegen de verwerping van het verweer dat de Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 II ten tijde van het feit nog niet van kracht zou zijn geweest, omdat deze slechts aan de media was bekendgemaakt en niet op de juiste wijze in de Staatscourant.

De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal en eerdere jurisprudentie (HR LJN AD5579) en oordeelt dat de regeling op 30 maart 2001 tijdig en op behoorlijke wijze bekend is gemaakt conform artikel 31 van Pro de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. Tevens was er al een algemeen verbod op het niet emissie-arm aanwenden van mest van kracht sinds 24 maart 2001, gepubliceerd in de Staatscourant.

Daarmee is het verweer van de verdachte ongegrond en is het cassatieberoep verworpen. De bestreden uitspraak van het Hof blijft in stand, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,- subsidiair 24 dagen hechtenis.

De Hoge Raad acht geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging en bevestigt de rechtmatigheid van de veroordeling. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 8 november 2005.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot een geldboete van € 1.200,- subsidiair 24 dagen hechtenis blijft in stand.

Uitspraak

8 november 2005
Strafkamer
nr. 03676/04 E
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 24 september 2004, nummer 22/002764-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 5 november 2002 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 17 (oud) van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren" veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,- subsidiair 24 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 II (Stcrt. 4 april 2001, nr. 67, p. 16), ten tijde van het feit nog niet van kracht was, omdat de regeling op 30 maart 2001, voorafgaand aan plaatsing in de Staatscourant, slechts was bekendgemaakt aan de media en dit niet kan gelden als een behoorlijke wijze van bekendmaking.
3.2. Het middel faalt op de gronden als in de conclusie van de Advocaat-Generaal vermeld (vgl. HR 8 januari 2002, LJN AD5579).
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 8 november 2005.