ECLI:NL:HR:2005:AU2781
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Toepassing overdrachtsbelasting bij opvolgende verdeling nalatenschap van onroerende zaak
Belanghebbende, samen met zijn broer en moeder, was erfgenaam van de nalatenschap van hun vader, waaronder een woonhuis dat deel uitmaakte van de gemeenschap van goederen van de ouders. In 1986 werd bij notariële akte de huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap gescheiden en gedeeld, waarbij het woonhuis werd verdeeld: moeder kreeg het recht van gebruik en bewoning, terwijl belanghebbende en zijn broer ieder de blote eigendom voor de helft ontvingen.
Na het overlijden van de moeder in 1997 werd het woonhuis in 1998 bij notariële akte aan belanghebbende toegedeeld, onder verplichting tot uitkering van een bedrag aan zijn broer. Het geschil betrof de vraag of deze laatste verdeling onder artikel 3, letter b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) viel, en dus overdrachtsbelasting verschuldigd was.
Het Hof stelde vast dat de eerste akte van 1986 de nalatenschap volledig had gescheiden en gedeeld, waardoor de mede-eigendom van het woonhuis een vrije mede-eigendom werd, geen nalatenschapsgemeenschap meer. Hierdoor kon de latere verdeling van 1998 niet worden aangemerkt als een verdeling van een nalatenschap in civielrechtelijke zin.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de term 'verdeling van een nalatenschap' in artikel 3 WBR Pro dezelfde betekenis heeft als in het civiele recht, zodat de latere verdeling niet onder die bepaling valt. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de overdrachtsbelasting blijft verschuldigd.