ECLI:NL:HR:2005:AU4121
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering voormalige partner tot erkenning als testamentair erfgenaam
De zaak betreft een geschil tussen een voormalige partner en de kinderen van een overleden persoon over de vraag of de voormalige partner als testamentair erfgenaam kan worden aangemerkt. De voormalige partner vorderde bij de rechtbank te Groningen dat zij gerechtigd zou zijn tot de nalatenschap zoals beschreven in het testament van 11 juni 1993. De verweerders, de kinderen van de erflater, bestreden deze vordering.
De rechtbank stond toe dat de eiseres bewijs leverde van samenwoning en het voeren van een gezamenlijke huishouding met de erflater. Na getuigenverhoor wees de rechtbank de vordering af. Het gerechtshof Leeuwarden bekrachtigde dit vonnis bij arrest van 16 juni 2004. Tegen dit arrest stelde de eiseres beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, aangezien geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de voormalige partner wordt verworpen en de vordering tot erkenning als testamentair erfgenaam afgewezen.