ECLI:NL:HR:2005:AU4302
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aanmerken sportcomplex als één goed voor omzetbelasting
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1997-2001, welke na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat het sportcomplex als één goed moest worden beschouwd, waardoor de naheffingsaanslag werd verminderd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad stelt vast dat het complex na werkzaamheden uit verschillende fysiek gescheiden bouwdelen bestaat, namelijk opstallen en drie sportvelden, die elk als afzonderlijke goederen moeten worden aangemerkt voor de omzetbelasting. De uitzondering voor niet zelfstandig bruikbare bouwdelen is niet van toepassing.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. De proceskosten worden niet toegewezen door de Hoge Raad en worden aan het verwijzingshof overgelaten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.