ECLI:NL:HR:2005:AU4740
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-toepassing artikel 45 lid 7 sub 2 Wet IB 1964 bij stakingslijfrente na overdracht onderneming
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag opgelegd op het belastbaar inkomen, welke na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat de lijfrente niet was bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming aan de B.V. en dat artikel 45 lid 7 sub Pro 2 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet van toepassing was omdat de onderneming vóór overdracht was besloten te liquideren.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof. De Hoge Raad overwoog dat het Hof niet onjuist had vastgesteld dat het besluit tot liquidatie van het melkveebedrijf vóór de overdracht was genomen. Hierdoor was de betreffende wetsbepaling niet van toepassing, ook als de lijfrente als tegenprestatie zou zijn bedongen.
Een tweede middel werd verworpen zonder nadere motivering omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.