ECLI:NL:HR:2003:AF3285
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen overdracht onderneming bij onmiddellijke doorverkoop aan derde
Belanghebbende voerde een agrarische onderneming in maatschapsverband met zijn echtgenote, bestaande uit kalkoenenopfok en akkerbouw, met diverse percelen en opstallen. In 1992 werd het ondernemingsvermogen overgebracht naar een BV, waarbij onderhandelingen liepen met de gemeente over verkoop van een deel van de percelen en schuren.
De BV verkocht deze percelen en schuren uiteindelijk aan de gemeente, waarbij het gebruik tot juni 1993 werd voortgezet. De vraag was of sprake was van een overdracht van onderneming aan de BV in de zin van artikel 45, lid 5, letter a, sub 2, Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof oordeelde dat de BV de onderneming niet had overgenomen omdat vaststond dat de percelen binnen afzienbare tijd aan de gemeente zouden worden overgedragen, waardoor de BV slechts tijdelijk eigenaar was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat geen sprake is van overdracht als direct aansluitend een doorverkoop aan een derde plaatsvindt of de onderneming spoedig wordt geliquideerd.
Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof. De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat geen sprake is van overdracht van onderneming aan de BV.