ECLI:NL:HR:2005:AU6372

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03630/04 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie in ontnemingszaak wegens formele tekortkomingen

In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof Amsterdam betrokkene veroordeeld tot betaling van € 2.441,02 aan de Staat, na vernietiging van een eerdere beslissing van de Rechtbank Utrecht. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat de ingediende schriftuur niet voldeed aan de formele eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. De klachten in de schriftuur richtten zich niet tegen de beslissing in de ontnemingszaak zelf, maar tegen tussenbeslissingen in de hoofdzaak, waardoor het middel niet ontvankelijk was.

Daarnaast had betrokkene niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met cassatiemiddelen door een raadsman ingediend, wat een vereiste is volgens artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kon de Hoge Raad het beroep niet ontvankelijk verklaren. De Advocaat-Generaal had eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad.

Deze uitspraak benadrukt het belang van het voldoen aan formele vereisten bij cassatieberoepen, met name in ontnemingszaken, en illustreert de strikte toepassing van termijnen en inhoudelijke eisen aan cassatiemiddelen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in cassatie wegens het niet voldoen aan formele eisen en het niet tijdig indienen van de schriftuur.

Uitspraak

20 december 2005
Strafkamer
nr. 03630/04 P
SG/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 april 2004, nummer 23/000162-01, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Utrecht van 10 juli 2000 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.441,02.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het in de schriftuur aangevoerde voldoet niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu het geen klacht bevat over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in de schriftuur vervatte klachten richten zich immers tegen door het Hof in de in de hoofdzaak gegeven tussenbeslissingen en niet tegen enige door de rechter in de onderhavige ontnemingszaak gegeven beslissing.
3.2. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen (vgl. HR 9 november 2004, LJN AR2942).
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 20 december 2005.