ECLI:NL:HR:2005:AU8166

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41280
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieWet op de vennootschapsbelasting 1969
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over uitleg rulings in vennootschapsbelastingverlies

Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 1998 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof Arnhem verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag aanzienlijk. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onbegrijpelijk had uitgelegd dat de in 1994 en 1997 gegeven rulings samen de aftrek van het onderhavige verlies in de weg zouden staan. De uitleg van de rulings was onvoldoende gemotiveerd, vooral gezien de geringe marge die was overeengekomen en het risico van insolventie van de debiteur. Daarom kon het arrest van het Hof niet in stand blijven en werd de zaak verwezen naar het Hof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en gelastte vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 16 december 2005 door vijf raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd vanwege onbegrijpelijke uitleg van rulings en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 41.280
16 december 2005
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 september 2004, nr. 02/01781, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.272.247, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van € 545.139,79 (ƒ 1.201.330). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. M. Mees, advocaat te Amsterdam.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel II kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Middel I keert zich met een motiveringsklacht onder meer tegen het oordeel van het Hof dat de in 1994 gegeven "ruling" in samenhang met de in 1997 gegeven "ruling" in de weg staat aan aftrek van het onderhavige verlies. Het middel slaagt in zoverre. Zonder nadere motivering, welke echter ontbreekt, is, met name gelet op de geringe grootte van de overeengekomen marge, een uitlegging van de rulings in dier voege dat beleggingen als de onderhavige, die onderhevig zijn aan het risico dat de debiteur insolvent blijkt te zijn, onder de in 1997 gegeven ruling vallen, onbegrijpelijk. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2005.