ECLI:NL:HR:2006:AS4934
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inrichting en afvalstofbegrip voor afvalstoffenbelasting en gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor afvalstoffenbelasting over de periode van 4 juli 1995 tot en met 31 augustus 1997. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het Hof, stelde belanghebbende cassatieberoep in tegen het oordeel dat de stortplaats een afzonderlijke inrichting is en dat de ongelijke behandeling in de afvalstoffenbelasting objectief gerechtvaardigd is.
De Hoge Raad bevestigde dat de stortplaats niet samen met de papierfabrieken als één inrichting kan worden beschouwd, omdat deze door verschillende rechtspersonen worden geëxploiteerd en zelfstandige bedrijfsinstallaties betreffen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden omdat de wetgever een redelijke en objectieve rechtvaardiging heeft voor de ongelijke behandeling van afvalstoffenbelasting bij verwerking binnen eigen inrichting.
Verder werd geoordeeld dat grove rejects inclusief aanhangend water als één afvalstof gelden voor de toepassing van de afvalstoffenbelasting. De Hoge Raad vond de uitleg van het begrip afvalstof door het Hof juist en voldoende gemotiveerd. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.