ECLI:NL:HR:2006:AU4365
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- C.A. Streefkerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt tijdsevenredige berekening rendementsgrondslag bij overlijden
In deze zaak is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld over het jaar 2001, waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van de overledene A werd vastgesteld. De erven van A hebben bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, waarna het Hof het beroep gegrond verklaarde en de aanslag aanzienlijk verminderde. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in.
De kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 2.17 lid 7 en artikel 5.3 lid 5 van de Wet IB 2001. Belanghebbenden hadden gekozen voor de toepassing van voljaarspartnerschap, waardoor de overledene wordt geacht het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. Het Hof stelde echter de overlijdensdatum als einddatum voor de rendementsgrondslag en paste het forfaitaire rendement tijdsevenredig toe. De Staatssecretaris betoogde dat bij voljaarspartnerschap het forfaitaire rendement niet tijdsevenredig berekend zou moeten worden.
De Hoge Raad oordeelt dat de keuze voor voljaarspartnerschap slechts geldt voor de toepassing van artikel 2.17 zelf en niet voor artikel 5.3 lid 5. Hierdoor blijft het tijdsevenredig toepassen van het forfaitaire rendement bij overlijden in stand. De wetgever heeft dit onderscheid ook expliciet gemaakt in andere bepalingen van de Wet IB 2001. Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de kosten van het geding worden aan de Staat opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de tijdsevenredige berekening van het forfaitaire rendement bij overlijden bevestigd.