ECLI:NL:PHR:2006:AU4365
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Interpretatie van rendementsgrondslag en voljaarspartnerschap bij overlijden in inkomstenbelasting 2001
In deze zaak staat centraal de vraag hoe de samenloop tussen de keuze voor voljaarspartnerschap in het jaar van overlijden van een partner en de tijdsevenredige berekening van het forfaitaire rendement in box 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 moet worden uitgelegd.
De belanghebbenden hadden gekozen voor voljaarspartnerschap en vrije verdeling van de rendementsgrondslag, waarbij het hof had geoordeeld dat artikel 5.3, vijfde lid, Wet IB 2001 (tijdsevenredige berekening bij overlijden) als lex specialis van toepassing was, ook bij voljaarspartnerschap. De staatssecretaris betoogde dat dit onjuist was en dat bij voljaarspartnerschap de overlijdensdatum als peildatum vervalt en het forfaitaire rendement niet tijdsevenredig moet worden herleid.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bevestigt dat bij voljaarspartnerschap de peildata 1 januari en 31 december gelden en dat het forfaitaire rendement van 4% volledig in aanmerking moet worden genomen zonder tijdsevenredige herrekening. Dit voorkomt onwenselijke dubbele heffing en sluit aan bij de systematiek van de Wet IB 2001. Het hof heeft de wet onjuist toegepast door artikel 5.3, vijfde lid, als lex specialis te beschouwen en tijdsevenredige berekening toe te passen ondanks de keuze voor voljaarspartnerschap.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het beroep van de staatssecretaris gegrond, waardoor het oordeel van het hof wordt vernietigd. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op basis van de peildata 1 januari en 31 december zonder tijdsevenredige herrekening, conform de keuze voor voljaarspartnerschap.
Uitkomst: Bij voljaarspartnerschap in het jaar van overlijden geldt dat het forfaitaire rendement niet tijdsevenredig wordt herleid en peildata 1 januari en 31 december worden gebruikt.