ECLI:NL:HR:2006:AU8179

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/060HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • P.C. Kop
  • F.B. Bakels
  • W.D.H. Asser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vernietiging van verlof tot tenuitvoerlegging van Duitse kinderalimentatiebeslissing afgewezen

In deze zaak stond centraal de vraag of onder de EEX-Verordening verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland kan worden verleend op een door een Duitse rechter bij verstek uitgesproken kinderalimentatiebeslissing. De Nederlandse vader had bij de rechtbank Almelo verzocht het verleende verlof tot tenuitvoerlegging van de Duitse uitspraak te vernietigen en de moeder te veroordelen in de kosten.

De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de vader in cassatie ging bij de Hoge Raad. De vrouw, tevens moeder en verzorgende ouder van het minderjarige kind, verzette zich tegen het cassatieberoep. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd verworpen en partijen droegen ieder hun eigen kosten.

Uitkomst: Het beroep van de Nederlandse vader tegen het verlof tot tenuitvoerlegging van de Duitse alimentatiebeslissing wordt verworpen.

Uitspraak

3 maart 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/060HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vrouw], zowel voor zich al in haar hoedanigheid van moeder en de met de verzorging belaste ouder van [de dochter],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai.
1. Het geding in feitelijke instantie
Eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploot van 26 maart 2004 verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de rechtbank te Almelo en gevorderd bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, de beslissing waarbij verlof is verleend tot tenuitvoerlegging van de uitspraak van het Amtsgericht Hamburg Wandsbek van 1 april 2003 te vernietigen en de vrouw te veroordelen in de kosten van het exequatur en van deze procedure.
De vrouw heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na een bij tussenvonnis van 2 juni 2004 bevolen comparitie van partijen, bij eindvonnis van 18 augustus 2004 de vordering afgewezen.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 10 maart 2006.