ECLI:NL:HR:2006:AV5228

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/164HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging boetebeding bij verkoop appartementsrecht en medewerking splitsing

In deze zaak staat een geschil centraal tussen partijen over een overeenkomst tot verkoop van een appartementsrecht, waarbij de medewerking van de verkoper aan de splitsing en de daarop volgende levering van het pand aan de orde is. Eiser tot cassatie vordert onder meer matiging van een boetebeding.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere tussenarresten van 2 april 2004 en 8 juli 2005 waarin procedurele aspecten zijn behandeld, waaronder de nietigheid van een aanzegging van schorsing en hervatting van de procedure. De zaak is vervolgens verwezen voor verdere behandeling.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt dit advies en verwerpt het beroep. De in het middel aangevoerde klachten worden niet ontvankelijk verklaard omdat deze niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de genoemde raadsheren en vice-president.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

7 april 2006
Eerste Kamer
Nr. C02/164HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R.G.E. de Vries,
thans mr. J.G. Pherai,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. U.W.G. Thöle.
1. Het verloop van het geding
Voor het verloop van het geding tot dusver tussen eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarresten van 2 april 2004, NJ 2006, 71, en 8 juli 2005, NJ 2006, 72. Bij laatstgenoemd tussenarrest heeft de Hoge Raad de bij exploot van 17 april 2003 gedane aanzegging van schorsing en hervatting van de onderhavige procedure ongeldig en zonder gevolg verklaard en de zaak verwezen naar de rol van 2 september 2005 voor dagbepaling conclusie.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 301,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 april 2006.