ECLI:NL:HR:2005:AT3192
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Ongeldigheid aanzegging schorsing en hervatting cassatieprocedure wegens onvoldoende bewijs erfgenaamschap
In deze cassatieprocedure stond centraal de vraag of de aanzegging van schorsing en hervatting van het geding door de weduwe en vermeende erfgenaam van de overledene rechtsgeldig was. De weduwe had een akte van erfrecht overgelegd waarin op grond van Nederlands recht werd gesteld dat zij en de minderjarige kinderen erfgenamen waren.
De Hoge Raad stelde vast dat de erfopvolging werd beheerst door Egyptisch recht, aangezien de overledene de Egyptische nationaliteit had en zijn gewone verblijfplaats in Egypte was. De overgelegde akte van erfrecht, die uitging van Nederlands recht, was onvoldoende om aan te tonen dat de weduwe volgens Egyptisch recht de enige erfgenaam was.
Daarom kon zij niet worden aangemerkt als belanghebbende bij de schorsing van het geding en was de aanzegging van schorsing en hervatting ongeldig en zonder gevolg. Dit leidde niet tot niet-ontvankelijkheid maar tot ongeldigheid van de aanzegging.
De zaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling en de stukken werden opnieuw aan de Procureur-Generaal voorgelegd voor conclusie in de hoofdzaak. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren op 8 juli 2005.
Uitkomst: De aanzegging van schorsing en hervatting van de cassatieprocedure is ongeldig verklaard wegens onvoldoende bewijs van erfgenaamschap volgens Egyptisch recht.