ECLI:NL:HR:2006:AW1750
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van de rentekosten bij langlopende lening in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap, had voor het jaar 2000 een lening van ƒ 10.000 afgesloten bij een aan haar gelieerde vennootschap, waarbij een jaarlijkse rente werd overeengekomen die jaarlijks met ƒ 1.000 toenam. In haar aangifte vennootschapsbelasting nam zij ƒ 80.000 aan rentekosten op. De Inspecteur handhaafde een aanslag op een belastbaar bedrag van ƒ 15.359, welke door het hof werd bevestigd.
De Hoge Raad oordeelt dat de contante waarde van de lening en de renteverplichting tezamen slechts een beperkte waarde vertegenwoordigen en dat op grond van goed koopmansgebruik de rentekosten jaarlijks niet hoger mogen zijn dan 4,016% van het leningbedrag, wat in dit geval neerkomt op ƒ 401,60. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en vermindert de aanslag tot een belastbaar bedrag van ƒ 14.957.
Het incidentele beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard. De Hoge Raad wijst tevens de vergoeding van de betaalde griffierechten toe aan belanghebbende. De uitspraak verduidelijkt de wijze van waardering van rentekosten bij langlopende leningen in de vennootschapsbelasting en bevestigt het belang van een reële waardering op basis van contante waarde en goed koopmansgebruik.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de aanslag vennootschapsbelasting door de rentekosten te beperken tot 4,016% van het leningbedrag per jaar.