ECLI:NL:HR:2006:AW2421
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin verdachte was veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf voor diverse ernstige strafbare feiten, waaronder doodslag, medeplegen van bedreiging, verkrachting en zware mishandeling.
Het hof had de verdachte in hoger beroep vrijgesproken van enkele tenlasteleggingen maar veroordeelde hem voor andere feiten. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot vernietiging kon leiden, maar constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan zestien maanden waren verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de behandeling daarvan.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest dat de duur van de gevangenisstraf betrof en verminderde deze tot negentien jaar en acht maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gewezen door de vice-president Koster, met raadsheren Corstens en Thomassen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negentien jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.