ECLI:NL:HR:2006:AW4395
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid verstekverlening ondanks taalbarrière verdachte
In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf voor medeplegen van bedreiging en overtreding van de wapenswet. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het verstek dat tegen hem werd verleend in hoger beroep.
De Hoge Raad heeft overwogen dat de stelling dat betekening van het appèl van de officier van justitie niet in het Nederlands mag plaatsvinden indien verdachte de taal niet begrijpt, geen steun vindt in het recht, met name niet in artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR LJN AW2522) ter onderbouwing.
Het middel van cassatie faalt derhalve en het beroep wordt verworpen. Er is geen reden om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. De uitspraak bevestigt dat verstekverlening tegen een afwezige verdachte in hoger beroep niet onrechtmatig is vanwege taalbarrières.
De Hoge Raad heeft het arrest gewezen op 12 september 2006, waarbij de strafrechtelijke veroordeling van het hof standhoudt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte tot achttien maanden gevangenisstraf.