ECLI:NL:HR:2006:AW6182

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 september 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/355HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 214 e.v. Liw
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over niet-opname in lijst geldelijke regelingen bij ruilverkaveling afgewezen

De zaak betreft een geschil tussen een pachter en de Landinrichtingscommissie (LC) over het niet opnemen van de pachter in de lijst der geldelijke regelingen wegens vermeende onderbedeling bij een ruilverkaveling. De pachter stelde dat hij zowel in waarde als in oppervlakte van zijn percelen weiland met meer dan tien procent was onderbedeeld en vorderde daarnaast schadevergoeding.

De LC behandelde de bezwaren en verweerde zich tegen de vordering. Na behandeling van de bezwaren verwees de LC de zaak naar de rechter-commissaris, die de zaak doorzette naar de meervoudige kamer van de rechtbank. De rechtbank verklaarde de bezwaren van de pachter ongegrond in een tussenvonnis en een eindvonnis.

De pachter stelde beroep in cassatie in tegen beide vonnissen van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt de pachter in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de pachter wordt verworpen en zijn bezwaren worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

1 september 2006
Eerste Kamer
Nr. C04/355HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
de procesbevoegdheid bezittende LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING "VIJFHEERENLANDEN",
gevestigd te Voorburg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mrs. H.A. Groen en M.W. Scheltema.
1. Het geding in feitelijke instantie
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft zich met een op 23 november 2001 gedateerd bezwaarschrift gewend tot verweerster in cassatie - verder te noemen: de LC - en daarbij bezwaar gemaakt tegen het feit dat hij niet is opgenomen in de lijst der geldelijke regelingen onder aanvoering dat hij als pachter van percelen weiland bij de landinrichting zowel in waarde als in oppervlakte (1.33.65 ha) is onderbedeeld met meer dan tien procent. Voorts heeft [eiser] schadevergoeding gevorderd.
De LC heeft de bezwaren en de vordering tot schadevergoeding bestreden.
Nadat LC de bezwaren van [eiser] op 20 mei 2003 had behandeld en partijen niet tot elkaar waren gekomen, heeft zij de zaak verwezen naar de rechter-commissaris in de rechtbank te Dordrecht, die op 21 augustus 2003 de zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
De rechtbank heeft na een tussenvonnis van 29 oktober 2003 bij eindvonnis van 27 oktober 2004 de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard.
Beide vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide vonnissen van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
LC heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 12 mei 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van LC begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 september 2006.