ECLI:NL:HR:2006:AX2037
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in medeplegen doodslag
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld tot vier jaar en acht maanden gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag. Het geschil spitst zich toe op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het hof oordeelde dat ondanks de lange duur van het proces, van ruim zeven jaar, geen sprake was van een schending van het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn. Het hof motiveerde dit onder meer door de ontvluchting van verdachte en het verblijf onder een valse naam, alsmede door het verzoek van verdachte om getuigen te horen, ook op Curaçao.
De Hoge Raad stelt echter dat het oordeel van het hof omtrent het tijdsverloop na het laatste getuigenverhoor en tot de betekening van de dagvaarding niet zonder meer begrijpelijk is. De Hoge Raad acht de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg voldoende gegrond om de straf te verminderen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de strafduur betreft en vermindert de gevangenisstraf tot vier jaar en vier maanden, waarbij het beroep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot vier jaar en vier maanden wegens overschrijding redelijke termijn.