ECLI:NL:PHR:2007:AZ3305
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest over schatting wederrechtelijk verkregen voordeel bij mededaders en medeplichtigen
In deze zaak gaat het om de ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel na een omvangrijke bankroof waarbij twee mededaders en één medeplichtige betrokken waren. Het hof had het voordeel geschat en verdeeld over twee personen, zonder voldoende rekening te houden met de rol van de medeplichtige. De advocaat-generaal en de Hoge Raad stellen dat bij onbekendheid van de werkelijke verdeling een pondspondsgewijze verdeling niet verplicht is, maar wel een nadere motivering vereist is.
Daarnaast is het geschilpunt of de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak is overschreden. Het hof oordeelde dat de termijn in eerste aanleg niet was overschreden, maar in hoger beroep wel. Desondanks leidde dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad benadrukt dat het aanvangsmoment van de redelijke termijn het moment is waarop het OM kenbaar maakt een ontnemingsvordering te zullen instellen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de onjuiste beoordeling van de redelijke termijn. De zaak wordt verwezen naar een ander hof voor hernieuwde berechting en afdoening. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, maar kan wel gevolgen hebben voor de hoogte van het te ontnemen bedrag.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting met inachtneming van de motieven van de Hoge Raad.