ECLI:NL:HR:2006:AX9215
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling feitelijke betekenis seksuele handelingen bij exploitatie prostitutie
In deze zaak stond de vraag centraal of de term "seksuele handelingen" in de tenlastelegging onder art. 250a.1.1 (oud) Sr voldoende feitelijke betekenis heeft, ook als niet is vastgesteld dat daadwerkelijk seksuele handelingen zijn verricht. De verdachte werd ervan verdacht een slachtoffer door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht te hebben bewogen zich beschikbaar te stellen voor seksuele handelingen tegen betaling.
De rechtbank veroordeelde de verdachte, en het hof bevestigde deze veroordeling. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk was omschreven omdat niet was vermeld welke seksuele handelingen waren verricht.
De Hoge Raad overwoog dat voor strafbaarheid van exploitatie van prostitutie niet vereist is dat daadwerkelijk seksuele handelingen zijn verricht; bepalend is dat het slachtoffer zich onder dwang of beïnvloeding beschikbaar heeft gesteld. De term "seksuele handelingen" heeft in de tenlastelegging voldoende feitelijke betekenis en voldoet daarmee aan de eisen van art. 261 Sv Pro.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en het beroep, bevestigde de veroordeling en oordeelde dat de bestreden uitspraak niet ambtshalve vernietigd behoefde te worden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor het door misbruik van feitelijke verhoudingen bewegen van het slachtoffer tot seksuele handelingen zonder dat daadwerkelijke handelingen vereist zijn.