ECLI:NL:HR:2006:AY6007
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt omkering bewijslast bij pensioenrechten en belastingaanslag
Belanghebbende was in beroep gegaan tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 1994, waarbij het Gerechtshof Arnhem het beroep gegrond verklaarde en de aanslag verminderde. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad bevestigde dat bij de waardering van pensioenverplichtingen rekening moet worden gehouden met het voornemen van D om af te zien van zijn pensioenrechten, wat onderdeel was van een samenhangend geheel van rechtshandelingen.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte het feit dat D niet wilde afzien van zijn pensioenrechten slechts aannemelijk achtte, terwijl dit overtuigend had moeten worden aangetoond vanwege de omkering en verzwaring van de bewijslast volgens artikel 27e AWR. Dit leidde echter niet tot cassatie, omdat de kans dat D niet zou afzien van zijn pensioenrechten reeds was vastgesteld op vijf procent, en deze kans ook op de relevante datum van toepassing was.
Het incidentele beroep van belanghebbende werd eveneens ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van het cassatiegeding en wees de Staat aan als de partij die deze kosten moet vergoeden. Hiermee werd het arrest van het Hof bevestigd en werd de aanslag verminderd tot een belastbaar bedrag van ƒ 29.466.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigt de vermindering van de aanslag vennootschapsbelasting.