ECLI:NL:HR:2006:AY6997
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Bijdrage vader in kosten levensonderhoud en studie meerderjarig kind
De zaak betreft een geschil tussen een meerderjarig kind en zijn vader over de bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie vanaf het moment dat het kind meerderjarig werd. De zoon verzocht de rechtbank Amsterdam om de vader te verplichten maandelijks €300 te betalen. De rechtbank wees dit verzoek toe, waarna de vader in verzet ging en tevens de uitvoerbaarheid bij voorraad wilde opschorten. Dit verzoek werd afgewezen en de vader werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn overige verzoeken.
De vader ging in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam, waar hij verzocht de bijdrage met ingang van 4 september 2003 op nihil te stellen of op een ander bedrag en datum naar keuze van het hof. De zoon wijzigde zijn verzoek vanwege de inkomensdaling van de vader per 1 juni 2004, en vroeg vanaf die datum de bijdrage op nihil te stellen, terwijl hij voor de periode daarvoor de beschikking wilde laten bekrachtigen.
Het hof bekrachtigde de bijdrage voor de periode 4 september 2003 tot 1 juni 2004 en stelde de bijdrage vanaf 1 juni 2004 op nihil. De vader stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering, omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling betroffen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de vader en bevestigde de bijdrage in kosten van levensonderhoud en studie tot 1 juni 2004.