ECLI:NL:PHR:2006:AY6997
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onderhoudsbijdrage vader aan meerderjarig kind voor studie en levensonderhoud
In deze zaak stond de vraag centraal of de vader een bijdrage moest blijven betalen voor de kosten van levensonderhoud en studie van zijn meerderjarige zoon. De zoon had bij de rechtbank een verzoek ingediend om de vader te verplichten vanaf zijn meerderjarigheid een maandelijkse bijdrage van €300 te betalen. De rechtbank wees dit toe, maar de vader verzette zich hiertegen en ging in hoger beroep.
Het hof verwierp de grieven van de vader en bevestigde dat de zoon recht had op de bijdrage, omdat hij een voltijdopleiding volgde en geen eigen inkomsten had. Het hof vond dat de vader voldoende draagkracht had om de bijdrage te betalen, ondanks door de vader aangevoerde posten die het hof niet aannam.
De vader stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof, onder meer over de vraag of het verzoekschrift correct was betekend, de draagkracht van de vader en de ingangsdatum van de bijdrage. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de bijdrage terecht was vastgesteld vanaf de meerderjarigheid van de zoon, dat het hof niet verplicht was de draagkrachtberekening van de raad voor rechtsbijstand te volgen en dat de vader ook zonder contact gehouden was tot betaling. De Hoge Raad benadrukte de vrijheid van de rechter bij het bepalen van de ingangsdatum van alimentatieverplichtingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de onderhoudsbijdrage van de vader aan zijn meerderjarige zoon.