ECLI:NL:HR:2006:AZ0227
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling motivering strafoplegging en toepassing Halbstrafe in WOTS-zaak
In deze zaak stond de motivering van de strafoplegging centraal, waarbij de veroordeelde betoogde dat hij op grond van § 57 StGB na het uitzitten van de helft van zijn straf in vrijheid zou moeten worden gesteld. De rechtbank had echter geen onderzoek ingesteld naar de toepassing van deze Duitse regeling en hield bij de strafoplegging rekening met de informatie van Duitse autoriteiten over de mogelijke duur van de detentie.
De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal en benadrukt dat het onderzoek dat een rechter moet instellen bij een dergelijk verweer niet altijd tot een exact antwoord kan leiden, omdat de daadwerkelijke duur van detentie in het buitenland afhankelijk is van omstandigheden die ten tijde van de tenuitvoerlegging nog onbekend zijn.
De rechtbank heeft volgens de Hoge Raad voldoende gemotiveerd dat zij bij het bepalen van de straf rekening heeft gehouden met de mogelijke invrijheidstelling in Duitsland en dat het niet onbegrijpelijk is dat zij de toepassing van § 57 lid 2 StGB niet als zeker heeft beschouwd. Ook het gedrag van de veroordeelde en zijn samenwerking met politie en justitie kunnen van invloed zijn op de toepassing van deze regeling.
Het cassatieberoep wordt daarom verworpen en de bestreden uitspraak blijft in stand. De Hoge Raad bevestigt hiermee de rechtmatigheid van de motivering en de wijze waarop de strafoplegging is uitgevoerd in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de strafoplegging en motivering zijn rechtmatig.