Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Door de regeling in het kaderbesluit wordt ook recht gedaan aan de bedoeling van de rechter die de straf oplegde: die ging bij het opleggen van de straf immers uit van de in zijn land geldende v.i.-regeling.
indringendebeoordeling van het recidiverisico – zoals dat onderdeel is van de beoordeling door de SURB – heeft plaatsgevonden, maar die kanttekening kan niet worden beschouwd als een aanwijzing in de hiervoor bedoelde zin. De reclassering heeft immers geconcludeerd dat het recidiverisico van eiser laag is. Het is denkbaar dat de door de reclassering uitgevoerde beoordeling van het recidiverisico niet de mate van indringendheid heeft die een beoordeling door de SURB heeft van de tegenaanwijzing van het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de uitkomst van een meer indringende toets zal zijn dat het recidiverisico hoger is.
voldoende vaststaat” dat de veroordeelde op een bepaald moment, eerder dan in Nederland, in het land van veroordeling voorwaardelijk vrij zou komen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vraag of dat eerdere tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling voldoende vaststaat, moet worden beantwoord aan de hand van de door de Hoge Raad [10] gehanteerde maatstaf voor de vergelijkbare problematiek in het kader van de (oude) omzettingsprocedure van de WOTS en het verbod op strafverzwaring van artikel 44 lid 2 van Pro het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (hierna: EVIG), te weten of
zeker of met grote mate waarschijnlijkis dat de veroordeelde op dat eerdere tijdstip in het land van veroordeling in vrijheid zou worden of zou zijn gesteld. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat de werkelijke duur van de detentie in het buitenland vaak afhankelijk is van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn, ook al is die duur “
gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidsstelling dat veelal in beginsel kenbaar is.” Dit leidt ertoe dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling. Als een veroordeelde een beroep doet op verzwaring van zijn positie moet de rechter er blijk van geven een onderzoek daarnaar te hebben ingesteld, zo nodig onder het doen inwinnen van nadere inlichtingen bij de verzoekende staat, aldus de Hoge Raad.
zou zijn gesteld”). Anderzijds staat er ook dat de Minister kan bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling eerder “
kan” plaatsvinden (en dus niet: “
zal” plaatsvinden) en dat past juist weer minder bij een toetsing op het moment waarop de veroordeelde daadwerkelijk voor v.i. in aanmerking zou zijn gekomen. Wat daar ook van zij, de omstandigheid dat de tekst van de toepasselijke bepalingen de ruimte biedt om het onderzoek (ook) op dat latere moment uit te voeren, betekent nog niet dat de Staat daartoe ook verplicht is. Kernvraag is of de Staat onrechtmatig handelt door alleen op het moment waarop hij beslist op het verzoek tot erkenning en overname van de tenuitvoerlegging te onderzoeken of er reden is voor toepassing van artikel 6:2:10 lid 4 Sv Pro.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
voorwaardelijkin vrijheid gesteld. In andere lidstaten vindt invrijheidsstelling al na de helft van het uitzitten van de straf plaats en in weer andere landen kan dit bij
first offendersal na een derde van de termijn geschieden. In sommige lidstaten gaat het dan om
voorwaardelijkeinvrijheidsstelling, maar het kan ook om
vervroegdeinvrijheidsstelling gaan. Aangenomen mag worden dat de rechter bij de straftoemeting rekening houdt met de in zijn eigen rechtsorde geldende v.i.-regeling.” [25]
waarmee de buitenlandse rechter bij de strafoplegging rekening heeft gehouden. [40] Dat betekent dat geen of veel minder reden bestaat om rekening te houden met andere buitenlandse v.i. (dus de v.i. waarmee de buitenlandse rechter bij de strafoplegging géén rekening heeft gehouden). Dat is een duidelijk andere benadering dan die welke spreekt uit de hiervoor in 3.9 aangehaalde toelichting op de Wets, waarin als ratio voor art. 15 lid 7 Sr Pro oud wordt genoemd het voorkomen dat de veroordeelde als gevolg van de overdracht van de tenuitvoerlegging van de straf feitelijk een langer deel van zijn straf moet ondergaan dan het geval zou zijn geweest als de tenuitvoerlegging van de straf niet was overgedragen. Bij laatstgenoemde benadering is iedere eerdere v.i. die de veroordeelde in het buitenland zou hebben gekregen relevant voor de beslissing ex art. 6:2:10 lid Pro 4, aanhef en onder a, Sv, bij de benadering zoals deze blijkt uit de hier aangehaalde toelichting op art. 43b Wots, die als gezegd ook betrekking heeft op art. 15 lid 7 Sr Pro oud, in beginsel uitsluitend die waarmee de buitenlandse rechter bij de strafoplegging rekening heeft gehouden (of, beter gezegd, waarvan aannemelijk is dat de buitenlandse rechter daarmee bij de strafoplegging rekening heeft gehouden).