ECLI:NL:HR:2006:AZ0651
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijswaardering bij medeplegen invoer cocaïne op Schiphol
Op 18 januari 2003 werd verdachte samen met twee anderen op Schiphol aangehouden met een rolkoffer die ruim 2 kilo cocaïne bevatte. Het hof oordeelde dat verdachte medepleger was van de opzettelijke invoer van de cocaïne, mede op basis van waarnemingen van opsporingsambtenaren die verdachte en zijn medeverdachten in contact zagen en verdachte zich verdacht gedroeg.
Verdachte ontkende de gedragingen die door de verbalisanten waren waargenomen, maar gaf geen redelijke verklaring voor dit gedrag. Het hof achtte dit redengevend voor bewijs en verwierp de ontkenning. De Hoge Raad bevestigt dat het hof dit oordeel mocht betrekken bij de bewijswaardering en dat het niet onbegrijpelijk was dat het hof geen geloof hechtte aan de verklaring van verdachte.
Het cassatieberoep faalt daarmee en de veroordeling tot twaalf maanden gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet wordt bevestigd. De Hoge Raad benadrukt het belang van het kunnen betrekken van het ontbreken van een redelijke verklaring bij de bewijsvoering.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf voor medeplegen van invoer van cocaïne.