ECLI:NL:HR:2006:AZ3094
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring in cassatie wegens ontbreken van middelen in beroepschrift
Verzoeker heeft bij de rechtbank te Rotterdam een schuldsaneringsregeling gekregen die later zonder toekenning van de schone lei werd beëindigd. Tegen deze beëindiging stelde verzoeker hoger beroep in bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het vonnis van de rechtbank bekrachtigde. Verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het beroepschrift dat op 11 augustus 2006 werd ingediend, voldeed niet aan de vereisten van artikel 426a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omdat het geen omschrijving bevatte van de middelen waarop het beroep steunde.
Verzoeker probeerde op 21 september 2006, na het verstrijken van de cassatietermijn, alsnog een aanvullend cassatieverzoek in te dienen met een cassatiemiddel. De Hoge Raad oordeelde dat het indienen van middelen na het verstrijken van de termijn niet is toegestaan, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn, die hier niet waren aangevoerd.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker niet-ontvankelijk. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2006.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van middelen in het beroepschrift en het te laat indienen van aanvullingen.