ECLI:NL:HR:2007:AV0426
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdstip schenking onder opschortende voorwaarde in relatie tot Successiewet
Belanghebbende ontving een navorderingsaanslag in het schenkingsrecht naar aanleiding van een schenking van haar moeder. De schenking was vastgelegd in een notariële akte van 16 september 1997 en vond plaats onder een opschortende voorwaarde die in 2001 in vervulling ging. De kern van het geschil betrof het tijdstip waarop de schenking tot stand was gekomen, relevant voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van de Successiewet 1956.
Het Hof oordeelde dat de schenkingsovereenkomst tot stand kwam op het moment van het verlijden van de notariële akte, ondanks de opschortende voorwaarde. Dit oordeel werd niet bestreden in cassatie. De Hoge Raad bevestigde dat de schenking reeds op dat tijdstip was voltooid, mede omdat de schenker toen binnen het Rijk woonde. Het primaire middel van cassatie faalde dan ook.
Het subsidiaire middel, dat stelde dat artikel 3, lid 1, SW in strijd zou zijn met het EG-recht, werd eveneens verworpen. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie EG die deze bepaling niet onverenigbaar achtte.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee werd de navorderingsaanslag bevestigd en het oordeel van het Hof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag in het schenkingsrecht.