ECLI:NL:HR:2006:AQ7098
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- C.A. Streefkerk
- C. Schaap
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt woonplaatsfictie Successiewet 1956 niet strijdig met EG-recht
Belanghebbenden ontvingen aanslagen successierecht over de nalatenschap van hun vader, die na verhuizing naar België overleed. De aanslagen werden verminderd door de Inspecteur, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de aanslagen, stellende dat de woonplaatsfictie in artikel 3 lid 1 SW Pro een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad verwees naar het arrest Van Hilten-van der Heijden van het HvJ EG, waarin werd geoordeeld dat artikel 3 lid 1 SW Pro geen beperking vormt van het kapitaalverkeer. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onjuist had geoordeeld en verklaarde het beroep van de Staatssecretaris gegrond.
Verder verwierp de Hoge Raad het incidentele beroep van belanghebbenden dat de bepaling in strijd zou zijn met het recht op vrij verblijf en het discriminatieverbod van het EG-Verdrag. Het arrest van het Hof werd vernietigd, behoudens het griffierecht, en de zaak werd verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.
De Hoge Raad wees op het belang van de fiscale bevoegdheid van lidstaten en dat nationale verschillen in belastingheffing niet per definitie discriminatie opleveren binnen het EG-recht. Ook werd benadrukt dat de in Nederland wonende kinderen van erflater niet zwaarder worden belast dan wanneer erflater in Nederland was gebleven.
Tot slot oordeelde de Hoge Raad dat geen proceskostenveroordeling passend is en dat het verwijzingshof zal beslissen over eventuele kostenvergoedingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.