ECLI:NL:HR:2007:AY7199

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42172
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
  • J.W.M. Tijnagel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet WOZArt. 17 lid 2 Wet WOZArt. 17 lid 3 Wet WOZArt. 6 Monumentenwet 1988
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling waardering monumentaal Marinecomplex voor Wet WOZ

Belanghebbende, eigenaar van het Marinecomplex aan de Kattenburgerstraat te Amsterdam, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde voor de jaren 2001-2004. Na een eerste beschikking van bijna 41,2 miljoen euro werd deze door de gemeentelijke belastingdienst bij uitspraak verlaagd naar circa 40,1 miljoen euro. Het hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarbij het monumentale gedeelte van het complex apart werd gewaardeerd volgens artikel 17, lid 2 van de Wet WOZ, en het overige gedeelte volgens lid 3.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat het Marinecomplex als één onroerende zaak moet worden aangemerkt volgens artikel 16 van Pro de Wet WOZ, terwijl het monumentale deel is geregistreerd als beschermd monument volgens de Monumentenwet 1988. Het hof had terecht geoordeeld dat de waardering van het monumentale deel en het overige deel op verschillende wettelijke gronden moest plaatsvinden.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door raadsheren Monné, van Maanen en Tijnagel op 30 maart 2007.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de waardering van het Marinecomplex door het hof.

Uitspraak

Nr. 42.172
30 maart 2007
RS
gewezen op het beroep in cassatie van de Staat der Nederlanden (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 april 2005, nr. 03/00634, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1.Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende - in diens hoedanigheid van eigenaar - is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak Kattenburgerstraat 7 (Marine complex) te Amsterdam voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld op ƒ 90.887.000 (€ 41.242.722).
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de directeur van de Dienst der Gemeentebelastingen Amsterdam bij uitspraak de waarde nader vastgesteld op € 40.114.500.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 11 juli 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) op grond van artikel 16, aanhef en letter c, van de Wet waardering onroerende zaken dient het zogenoemde Marinecomplex aan de Kattenburgerstraat te Amsterdam aangemerkt te worden als één onroerende zaak in de zin van die wet (hierna: de Wet WOZ);
(ii) de gevel van één van de tot het Marinecomplex behorende opstallen, alsmede de daarvan deel uitmakende inrijpoort zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van Pro de Monumentenwet 1988.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het Rijksmonumentaal gedeelte van het Marinecomplex gewaardeerd dient te worden op de voet van artikel 17, lid 2, het overige gedeelte (voor zover dit niet tot woning dient) op de voet van artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ.
3.3. Daartoe heeft het Hof overwogen dat uit tekst en strekking van artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ volgt dat in de daarin
gebezigde passage "onroerende zaken die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten", met de term "onroerende zaken" wordt gedoeld op onroerende zaken in de zin van de Monumentenwet 1988, niet op een onroerende zaak in de zin van artikel 16 van Pro de Wet WOZ.
Met zijn verwijzing naar de strekking van artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ heeft het Hof klaarblijkelijk het oog op de toelichting die gegeven is op het amendement-Kamp (welke toelichting is weergegeven in de onderdelen 4.11 en 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
3.4. 's Hofs oordeel en zijn daartoe gebezigde gronden zijn juist, zodat het daartegen gerichte middel faalt.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2007.