ECLI:NL:HR:2007:AY9466

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42766
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 WVAArt. 24 lid 1 WVAArt. 28 WVAParagraaf 28 lid 3 BBBB 1998Paragraaf 30 lid 2 BBBB 1998
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad: verplichte aangifte ex artikel 22 WVA is geen vrijwillige verbetering

Belanghebbende kreeg een boete opgelegd van € 7.856 wegens het overschrijden van de S&O-afdrachtvermindering in 2001. De Inspecteur handhaafde deze boete na bezwaar, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de boetebeschikking. De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelt dat de verplichte aangifte ex artikel 22 WVA Pro, die binnen vier maanden na afloop van het kalenderjaar moet worden gedaan, niet kan worden aangemerkt als een 'vrijwillige verbetering' in de zin van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Hierdoor was de boete terecht opgelegd.

Het hof had ten onrechte geoordeeld dat sprake was van een vrijwillige verbetering, waardoor de boete niet kon worden opgelegd. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling van de overige geschilpunten.

De Hoge Raad acht geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2007.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, met de conclusie dat verplichte aangifte geen vrijwillige verbetering is.

Uitspraak

Nr. 42.766
22 juni 2007
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2005, nr. 03/00804, betreffende na te melden ten aanzien van X B.V. te Z gegeven boetebeschikking.
1. Boetebeschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van de door haar over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 toegepaste S&O-afdrachtvermindering een boete opgelegd van € 7856. De boete is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de bestreden uitspraak en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 3 augustus 2006 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Bij beschikking van 1 februari 2001 is aan belanghebbende een verklaring (hierna: de S&O-verklaring) afgegeven als bedoeld in artikel 24, lid 1, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) betreffende door belanghebbende in 2001 te verrichten speur- en ontwikkelingswerk. Daarin is een maximum aan door belanghebbende toe te passen voorlopige S&O-afdrachtvermindering vermeld van € 91.401. Later is nog een tweede verklaring gegeven inzake in de tweede helft van 2001 te verrichten speur- en ontwikkelingswerk. Daarin is een maximum van € 5.575 vermeld.
Bij haar vier kwartaalaangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen over 2001 heeft belanghebbende in totaal € 96.975,10 aan voorlopige S&O-afdrachtverminderingen in mindering gebracht op de door haar afgedragen loonbelasting en premie volksverzekeringen.
Op 3 april 2002 heeft belanghebbende aangifte gedaan als bedoeld in artikel 22 WVA Pro. Daarbij bleek dat het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen meer bedroeg dan het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering (€ 65.549,91) waarop belanghebbende over 2001 recht had; het verschil van (afgerond) € 31.425, heeft belanghebbende op de aangifte afgedragen.
Na een boekenonderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige vergrijpboete opgelegd ter grootte van 25 percent van het bedrag dat belanghebbende op de aangifte heeft afgedragen.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de boete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Het Hof heeft geoordeeld, kort samengevat, dat met de aangifte van 3 april 2002 een 'vrijwillige verbetering' heeft plaatsgevonden als bedoeld in paragraaf 28, lid 3, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998), en dat daarom geen vergrijpboete mocht worden opgelegd. Tegen dat oordeel richt zich het middel.
3.3.1. In artikel 28 WVA Pro is geregeld dat aan een inhoudingsplichtige een vergrijpboete kan worden opgelegd indien het aan diens opzet of grove schuld te wijten is dat over een kalenderjaar het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering met twintig percent of meer overschrijdt.
3.3.2. Paragraaf 28, lid 3, BBBB 1998, welke bepaling ingevolge paragraaf 30, lid 2, BBBB 1998 van overeenkomstige toepassing is verklaard op vergrijpboeten ingevolge artikel 28 WVA Pro, stelt als eis voor 'vrijwillige verbetering' dat de belanghebbende aan de inspecteur schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald.
3.3.3. De inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, is ingevolge artikel 22, lid 1, WVA verplicht binnen vier maanden na afloop van het kalenderjaar aangifte te doen als bedoeld in dat artikellid. Het nakomen van deze verplichting kan niet worden aangemerkt als een 'vrijwillige verbetering' van het bedrag van de in het vorige jaar toegepaste voorlopige S&O-afdrachtverminderingen.
3.4. 's Hofs op een andere, onjuiste opvatting berustend oordeel is derhalve onjuist. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van de geschilpunten waaraan het Hof niet is toegekomen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2007.