ECLI:NL:HR:2007:AZ4073

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/106HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b F.Art. 288 lid 2 onder b F.Art. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan schulden

IBC Incassobemiddeling & Creditmanagement en haar vennoten zijn bij vonnis van de rechtbank Haarlem in staat van faillissement verklaard. Vervolgens hebben zij een verzoek ingediend tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 288 lid 2 onder Pro b Faillissementswet, vanwege het niet te goeder trouw ontstaan van de schulden.

De rechtbank wees dit verzoek af. Het hof Amsterdam vernietigde dit vonnis voor zover het verzoek was afgewezen, maar verklaarde IBC niet-ontvankelijk in haar verzoek. Hiertegen werd beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatiemiddel niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitkomst: Het beroep van IBC wordt verworpen en het faillissement blijft gehandhaafd zonder toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

23 februari 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/106HR
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verzoeker 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. M.A. Koot.
1. Het geding in feitelijke instanties
De vennootschap onder firma IBC Incassobemiddeling & Creditmanagement - verder te noemen: IBC - en haar vennoten, [verzoekers] (verzoekers tot cassatie), zijn bij vonnis van de rechtbank te Haarlem van 15 november 2005 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R.J. Fransz tot curator.
Op 3 april 2006 hebben IBC, [verzoekers] bij de rechtbank te Haarlem een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Na behandeling van de zaak op 14 juni 2006, heeft de rechtbank bij vonnis van 27 juni 2006 het verzoek afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben IBC, [verzoekers] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Na mondelinge behandeling op 25 juli 2006 heeft het hof bij arrest van 1 augustus 2006 de uitspraak waarvan beroep vernietigd voorzover het verzoek van IBC is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, IBC niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De uitspraak waarvan beroep is voor het overige bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 februari 2007.