ECLI:NL:HR:2007:AZ5689

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/063HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 1 WNI 1892Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een in het Koninkrijk geboren niet-erkend onwettig kind

Verzoeker heeft bij de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht om vaststelling dat hij sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap en artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet op het Nederlanderschap van 1892, die betrekking hebben op de verkrijging van de nationaliteit door in het Koninkrijk geboren niet-erkende onwettige kinderen.

De rechtbank heeft het verzoek op 2 maart 2006 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Staat der Nederlanden heeft verzocht het beroep te verwerpen en de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft de klachten van verzoeker beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering was nadere motivering niet vereist omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en de beschikking in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2007 door raadsheer E.J. Numann, onder voorzitterschap van P.C. Kop en met medewerking van C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser.

Uitkomst: Het beroep van verzoeker tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt verworpen.

Uitspraak

23 februari 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/063HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. A.J. van Duijne Strobosch,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 30 juli 2004 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht vast te stellen dat hij sedert zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft.
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Na mondelinge behandeling op 2 februari 2006 heeft de rechtbank bij beschikking van 2 maart 2006 het verzoek afgewezen.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 februari 2007.