ECLI:NL:HR:2007:AZ8351
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid uitleveringsverzoek wegens overlijden opgeëiste persoon
In deze zaak betrof het een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Republiek Suriname. Tijdens de procedure stelde de Rechtbank vast dat de persoon die zich bij de zitting meldde niet overeenkwam met de opgeëiste persoon. Een identiteitsonderzoek toonde aan dat de opgeëiste persoon en de aanwezige persoon dezelfde waren, maar een akte van overlijden van de gemeente Amsterdam wees uit dat deze persoon op 11 oktober 2006 was overleden.
De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest waarin de zaak was terugverwezen en de opgeëiste persoon was opgeroepen om te verschijnen. Bij de zitting op 6 februari 2007 was noch de opgeëiste persoon noch diens raadsman aanwezig. De Advocaat-Generaal adviseerde de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.
Gezien het overlijden van de opgeëiste persoon achtte de Hoge Raad het verzoek tot uitlevering niet vatbaar voor inwilliging. De Hoge Raad verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek. Dit arrest werd uitgesproken op 6 februari 2007 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in het uitleveringsverzoek wegens het overlijden van de opgeëiste persoon.