ECLI:NL:HR:2007:AZ8744

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/091HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 lid 2 RvArt. 75 lid 1 RvArt. 401a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenarrest in invorderingszaak

Eiser heeft de ontvanger van de Belastingdienst gedagvaard en gevorderd onder meer een verklaring voor recht dat hij opposant is tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel inzake een aanslag inkomstenbelasting 1997. De rechtbank wees de vorderingen af, waarna hoger beroep en incidenteel hoger beroep werden ingesteld. Het hof wees een incidentele vordering af en verwees de zaak naar rol voor beraad partijen in een tussenarrest.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen dit tussenarrest. De ontvanger voerde primair niet-ontvankelijkheid aan, subsidiair verwerping van het beroep. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid omdat het tussenarrest geen eindbeslissing bevat en beroep in cassatie tegen een tussenarrest alleen samen met het eindarrest kan worden ingesteld.

De Hoge Raad volgt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Tevens wordt eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee is het beroep tegen het tussenarrest niet ontvankelijk verklaard, conform de procesregels omtrent tussenarrest en cassatie.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart het cassatieberoep tegen het tussenarrest niet-ontvankelijk en veroordeelt eiser in de kosten.

Uitspraak

27 april 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/091HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST OOST-BRABANT/KANTOOR EINDHOVEN (voorheen: DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ ONDERNEMINGEN EINDHOVEN),
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.J. Schenck.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 21 december 2001 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. een verklaring voor recht dat [eiser] goed opposant is tegen de tenuitvoerlegging van het door de Ontvanger beweerdelijk uitgevaardigde dwangbevel ter zake van de aanslag IB 1997 en dat dit dwangbevel dientengevolge buiten effect is gesteld;
alsmede de Ontvanger te veroordelen:
b. om zich te onthouden van enige invorderingsmaatregelen ter zake van de op te leggen dan wel reeds opgelegde aanslag IB 1997;
c. tot opheffing van alle ter zake van de aanslag IB 1997 gelegde of nog te leggen beslagen;
d. tot restitutie van alle ter zake van de aanslag IB 1997 reeds uitgewonnen of nog uit te winnen bedragen;
e. tot vergoeding van alle door het onrechtmatig handelen veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat, met rente;
f. tot vergoeding van de kosten van het geding.
De Ontvanger heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen om te dulden dat het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd.
Na een tussenvonnis van 12 november 2003 heeft de rechtbank bij eindvonnis van 31 maart 2004 zowel in conventie als in reconventie de vorderingen afgewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Na een tussenarrest van het hof van 15 november 2005 heeft [eiser] een incidentele vordering op grond van art. 85 lid 2 Rv Pro. ingesteld. Bij arrest van 14 maart 2006 heeft het hof in het incident het gevorderde afgewezen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor beraad partijen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 14 maart 2006 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep en subsidiair tot verwerping van het beroep.
[Eiser] heeft een schriftelijke reactie gegeven op het beroep op niet-ontvankelijkheid.
De zaak is voor wat betreft het niet-ontvankelijkheidsverweer voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het dictum van het bestreden, op 14 maart 2006 uitgesproken arrest houdt niet een beslissing in die ten opzichte van (een van) de betrokken partijen is aan te merken als een beslissing waarmee aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt. Dit arrest is een tussenarrest, waarop art. 401a lid 2 Rv. van toepassing is.
Nu het hof niet anders heeft bepaald en het niet gaat om een geval waarin art. 75 lid 1 Rv Pro. van toepassing is, kan beroep in cassatie van het tussenarrest derhalve slechts tegelijk met dat van het eindarrest worden ingesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 342,38 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 27 april 2007.