ECLI:NL:HR:2007:AZ8786

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01232/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechausseeArt. 6 Politiewet 1993Art. 58 Politiewet 1993Art. 141 Wetboek van StrafvorderingArt. 158 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
17 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onrechtmatige aanhouding door Koninklijke Marechaussee bij alcoholcontrole

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 28 augustus 2004 in Brunssum onder invloed van alcohol een motorrijtuig bestuurde met een ademalcoholgehalte van 770 microgram per liter, ruim boven de wettelijke limiet.

Het hof sprak de verdachte vrij omdat de Koninklijke Marechaussee (Kmar) bij de aanhouding niet handelde op grond van een eigen opsporingsbevoegdheid, maar zonder dat voldaan was aan de wettelijke vereisten voor bijstand of samenwerking met de politie. Hierdoor was de aanhouding onrechtmatig en moesten de verkregen onderzoeksresultaten worden uitgesloten.

De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had door het bewijs uit te sluiten en de verdachte vrij te spreken. Het beroep in cassatie werd verworpen.

De zaak draait om de uitleg van de Politiewet 1993 en het Wetboek van Strafvordering omtrent de opsporingsbevoegdheden van de Kmar en de voorwaarden waaronder bijstand of samenwerking met de politie is toegestaan.

De uitspraak benadrukt het belang van de juiste toepassing van bevoegdheden bij opsporing en de gevolgen van onrechtmatige aanhouding voor de bewijsvoering.

Uitkomst: De verdachte werd vrijgesproken wegens onrechtmatige aanhouding door de Koninklijke Marechaussee, waardoor het bewijs werd uitgesloten.

Uitspraak

17 april 2007
Strafkamer
nr. 01232/06
KM/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 oktober 2005, nummer 20/008003-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 7 januari 2005 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Mr. E. van Die heeft, naar de Hoge Raad begrijpt in haar hoedanigheid van plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Hof, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de verdachte heeft mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen, het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken. Het betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanhouding van de verdachte op onrechtmatige wijze is geschied en de ten gevolge van deze aanhouding verkregen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
3.2.1. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij:
"op of omstreeks 28 augustus 2004, in de gemeente Brunssum, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, 770 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn."
3.2.2. Het Hof heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken. Het Hof heeft die vrijspraak als volgt gemotiveerd:
"De verdediging heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de Koninklijke Marechaussee bij de aanhouding van verdachte - aldus de raadsman - niet heeft gehandeld op grond van een eigen bevoegdheid, maar op grond van een afgeleide bevoegdheid en de aanhouding derhalve onrechtmatig is geschied.
Het Hof overweegt hieromtrent het volgende.
In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de Koninklijke Marechaussee bezig was met de uitoefening van een eigenstandige taak ten behoeve van de strijdkrachten, zoals omschreven in artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6 van Pro de Politiewet, nu op het moment van aanhouding van verdachte geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond noch een redelijk vermoeden dat verdachte behoorde tot de in artikel 6, lid 1 sub b van de Politiewet bedoelde personen. Daaraan doet niet af dat in Brunssum relatief gezien veel van voornoemde personen woonachtig en/of werkzaam zijn.
Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
De aanhouding van verdachte is aldus op onrechtmatige wijze geschied, weshalve de ten gevolge van deze aanhouding verkregen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken."
3.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke voorschriften van belang.
(i) Art. 158 WVW Pro 1994:
"Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de hoofdstukken IA, IB en IC, zijn belast de in artikel 159 bedoelde Pro personen. Zij beschikken daartoe over de in artikel 160, vierde lid, genoemde bevoegdheid met betrekking tot het vervoeren van personen en over de bevoegdheid, genoemd in artikel 160, vijfde lid."
(ii) Art. 159 WVW Pro 1994:
"Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet, zijn belast:
a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen;
(...)."
(iii) Art. 141 Sv Pro:
"Met de opsporing van strafbare feiten zijn belast:
(...)
c. voor de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie te bepalen gevallen: de officieren en onderofficieren van de Koninklijke marechaussee en de door Onze voornoemde Ministers aangewezen andere militairen van dat wapen."
(iv) Art. 1 Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee, een regeling van de Ministers van Justitie en van Defensie van 29 maart 1994 (Stcrt. 1994, 70):
"De officieren, de onderofficieren en de in artikel 2 genoemde Pro andere militairen der Koninklijke marechaussee zijn met de opsporing van strafbare feiten belast in alle gevallen waarin zij werkzaam zijn in de uitoefening van de taken welke hun zijn opgedragen bij artikel 6 Politiewet Pro 1993 of andere wetten."
(v) Art. 6 Politiewet Pro 1993:
"1. Aan de Koninklijke marechaussee zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:
(...)
b. de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen;
(...)
d. de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;
(...)
4. De militair van de Koninklijke marechaussee die krachtens artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafvordering opsporingsbevoegdheid heeft, is, indien hij bij de uitoefening van zijn politietaken stuit op strafbare feiten, bevoegd tot optreden."
(vi) Art. 58 Politiewet Pro 1993:
"1. In bijzondere gevallen kan bijstand worden verleend door de Koninklijke marechaussee.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het betreft bijstand ter handhaving van de openbare orde, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, indien het betreft bijstand voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel voor het verrichten van taken ten dienste van de justitie, bepaalt, na overleg met Onze Minister van Defensie, of bijstand wordt verleend.
3. Indien bijstand moet worden verleend, bepaalt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie op welke wijze de bijstand wordt verleend."
3.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal, opgemaakt door de wachtmeesters der Koninklijke marechaussee [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:
"ALCOHOLCONTROLE
Op zaterdag 28 augustus 2004 om 03.14 uur zagen wij, verbalisanten, dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, voorzien van het kenteken [AA-BB-00], dit bestuurde op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Emmaweg te Brunssum in de gemeente Brunssum. Aldaar waren wij, verbalisanten, bezig met een gecombineerde alcoholcontrole, tussen politie Limburg-Zuid Bureau Heerlen en de Koninklijke Marechaussee Brigade Heerlen.
Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften, stelden wij, verbalisanten, een onderzoek in."
3.5. Gelet op art. 1 van Pro de Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee is voor de beantwoording van de vraag of genoemde wachtmeesters opsporingsbevoegdheid hadden, beslissend of zij toen werkzaam waren in de uitoefening van een van de hun bij art. 6 Politiewet Pro 1993 opgedragen taken.
3.6.1. Blijkens zijn hiervoor onder 3.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat ten tijde van de onderhavige alcoholcontrole "de Koninklijke Marechaussee niet bezig was met de uitoefening van een eigenstandige taak ten behoeve van de strijdkrachten, zoals omschreven in art. 141 van Pro het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6 van Pro de Politiewet". Deze vaststelling is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk.
3.6.2. Naar in cassatie moet worden aangenomen is te dezen geen sprake van 'bijstand' of 'samenwerking' als bedoeld in art. 6, eerste lid sub d, Politiewet 1993. Voor 'bijstand' geldt immers dat moet zijn voldaan aan de in art. 58 Politiewet Pro 1993 gestelde vereisten, waarover in deze zaak niets is vastgesteld. Voor 'samenwerking' geldt dat het moet gaan om een geval waarin de Koninklijke marechaussee een eigen politietaak uitoefent, hetgeen blijkens de feitelijke vaststelling van het Hof zich hier niet voordoet.
3.6.3. In het licht van een en ander getuigt 's Hofs oordeel dat "de aanhouding van verdachte (...) aldus op onrechtmatige wijze is geschied, weshalve de ten gevolge van deze aanhouding verkregen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs" niet van een onjuiste rechtsopvatting.
3.7. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 17 april 2007.