ECLI:NL:HR:2007:BA0482

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01152/06 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvTitel IX Boek 4 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 14 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van beklagprocedure en teruggave inbeslaggenomen auto aan niet-klager

In deze zaak stond de vraag centraal of de rechtbank terecht had beslist dat een inbeslaggenomen auto aan een derde, en niet aan de klager, moest worden teruggegeven. De klager had een beklagprocedure ingesteld met het verzoek tot teruggave van de auto aan hem. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond en gelastte de teruggave aan een ander dan de klager, hier aangeduid als betrokkene 1.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat betrokkene 1 als rechthebbende op de auto kon worden aangemerkt, en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. Dit betekende dat het beklag ongegrond was verklaard met betrekking tot de rechthebbende.

Echter, de Hoge Raad stelde vast dat de wet in de beklagprocedure niet toestaat dat een last tot teruggave wordt gegeven aan een ander dan degene die het klaagschrift tot teruggave heeft ingediend. Omdat betrokkene 1 geen klaagschrift had ingediend, mocht de rechtbank niet de teruggave aan hem gelasten. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking voor zover het ging om de last tot teruggave aan betrokkene 1, maar verwierp het beroep voor het overige.

De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren in raadkamer op 19 juni 2007.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking voor zover de teruggave aan een ander dan de klager is gelast en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitspraak

19 juni 2007
Strafkamer
nr. 01152/06 B
JB/SB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Maastricht van 2 maart 2006, nummer RK 05/465, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door [klager] ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenstaande beschikking omschreven personenauto en de teruggave gelast aan [betrokkene 1] van het inbeslaggenomene.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen, maar alleen voor zover daarbij de teruggave van de inbeslaggenomen auto aan [betrokkene 1] is gelast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. De middelen klagen dat de Rechtbank de inbeslaggenomen auto aan de klager had dienen terug te geven en dat haar oordeel dat de auto aan [betrokkene 1] dient te worden teruggegeven getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2. Het oordeel van de Rechtbank komt erop neer dat niet de klager - beslagene - maar [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende op de inbeslaggenomen auto dient te worden aangemerkt. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Van dat oordeel uitgaande heeft de Rechtbank het beklag terecht ongegrond verklaard. In zoverre faalt het middel.
3.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich niet een klaagschrift van [betrokkene 1]. De wet kent wat betreft de beklagprocedure als bedoeld in het vierde boek, Titel IX Sv, anders dan in HR 10 mei 1994, LJN ZC9727, NJ 1994, 642, onder de toenmalige wetgeving is aangenomen, niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend (vgl. HR 26 november 2002, LJN AE6595). De Rechtbank had dus niet een last tot teruggave aan [betrokkene 1] mogen geven. In zoverre kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking, doch uitsluitend voor zover daarin de teruggave is gelast van de inbeslaggenomen auto aan [betrokkene 1];
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2007.