ECLI:NL:HR:2007:BA6410

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
39344
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
  • A.R. Leemreis
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13, A, lid 1, sub e, Zesde richtlijn (77/388/EEG)Art. 11, lid 1, letter g, Wet op de omzetbelasting 1968Art. 5a Wet op de omzetbelasting 1968Art. 28 ter, B, lid 1, Zesde richtlijn
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrek voorbelasting bij leveringen tandprothesen door niet-tandtechnisch personeel in lidstaten

In deze zaak stond de vraag centraal of een handelaar in tandprothesen die geen tandtechnisch geschoold personeel in dienst heeft en de vervaardiging uitbesteedt aan een tandtechnicus, recht heeft op aftrek van voorbelasting voor leveringen die plaatsvinden in andere lidstaten.

De Hoge Raad verwees naar een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waarin werd geoordeeld dat de Zesde richtlijn niet van toepassing is op leveringen van tandprothesen door een tussenpersoon die geen tandarts of tandtechnicus is, maar deze prothesen van een tandtechnicus betrekt.

De Hoge Raad concludeerde dat leveringen van tandprothesen door een belastingplichtige die de vervaardiging uitbesteedt aan een tandtechnicus, en die in Nederland plaatsvinden, onder de omzetbelasting vallen en dat deze belastingplichtige recht heeft op aftrek van voorbelasting voor dergelijke leveringen in andere lidstaten.

De Nederlandse vrijstelling van omzetbelasting doet hieraan niet af, omdat de belastingplichtige zich op de Zesde richtlijn kan beroepen. De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het hofuitspraak en de naheffingsaanslag, en veroordeelde de Staat tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en vernietigt de naheffingsaanslag, met recht op aftrek van voorbelasting voor leveringen in andere lidstaten.

Uitspraak

Nr. 39.344
5 oktober 2007
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van VDP Dental Laboratory N.V. te Huizen tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 januari 2003, nr. P 99/03852, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vragen.
1. Ontstaan en loop van het geding
Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 11 november 2005, nr. 39344, BNB 2006/237, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 14 december 2006, C 401/05, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“Artikel 13, A, lid 1, sub e, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, dient aldus te worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op leveringen van tandprothesen door een tussenpersoon als in het hoofdgeding, die geen tandarts of tandtechnicus is, maar die deze prothesen van een tandtechnicus heeft betrokken.”
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.
De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 15 mei 2007 nader geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd op de nadere conclusie.
2. Nadere beoordeling van de middelen van cassatie
Uit de hiervoor vermelde verklaring voor recht volgt dat ingevolge de Zesde richtlijn leveringen van tandprothesen door een belastingplichtige als belanghebbende, die het vervaardigen ervan uitbesteedt aan een tandtechnicus, zo deze leveringen in Nederland worden verricht, aan omzetbelasting behoren te zijn onderworpen, hetgeen meebrengt dat de belastingplichtige recht op aftrek heeft ten aanzien van dergelijke leveringen, indien deze in een andere lidstaat worden verricht. Aan dit recht op aftrek doet in het onderhavige geval niet af de omstandigheid dat de bedoelde leveringen krachtens artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 van omzetbelasting zijn vrijgesteld, nu belanghebbende zich op de Zesde richtlijn heeft beroepen. In deze zaak is slechts in geschil het recht op aftrek van (Nederlandse) omzetbelasting die in rekening is gebracht ter zake van leveringen van tandprotheses die belanghebbende heeft verricht in andere lidstaten, op grond van artikel 5a van de Wet op de omzetbelasting 1968 juncto artikel 28 ter Pro, B, lid 1, van de Zesde richtlijn.
Uit het voorgaande volgt dat middel II slaagt. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,
vernietigt de naheffingaanslag,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 327, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.