ECLI:NL:HR:2007:BA7728
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over opzet en toerekening bij vergrijpboete belastingjaar 1999
Belanghebbende, die samen met familie een vennootschap onder firma exploiteerde in de zeevisserij, kreeg voor het belastingjaar 1999 aanslagen en vergrijpboetes opgelegd wegens onjuiste aangiften. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat belanghebbende opzet had bij het doen van onjuiste aangiften, mede door toerekening van opzet van zijn adviseur.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de opzet van de gemachtigde adviseur zonder meer aan belanghebbende kan worden toegerekend. Volgens recente jurisprudentie moet de inspecteur aantonen dat de belastingplichtige zelf opzet heeft, en kan opzet van een adviseur niet automatisch worden toegerekend.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad andere bezwaren van belanghebbende, zoals het pleitbaar standpunt over de verkoopprijs en onderhoudskosten, en het beroep op het evenredigheidsbeginsel bij cumulatie van boetes. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Ook constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure en laat het aan het verwijzingshof over om te beoordelen of dit gevolgen heeft voor de hoogte van de boete. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling van de opzet zonder toerekening van de adviseur aan belanghebbende.