ECLI:NL:HR:2008:BC2769

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/271HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoeding na tussentijdse opzegging bemiddelingsovereenkomst

Eiseres, een projectontwikkelaar, vorderde van Achmea een schadevergoeding van €336.932,08 wegens de tussentijdse opzegging van hun bemiddelingsovereenkomst. De rechtbank Zutphen wees de vordering af, wat door het gerechtshof Arnhem werd bekrachtigd. Eiseres stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, aangezien er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde eiseres in de proceskosten, waarbij de kosten aan de zijde van Achmea nihil werden begroot. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand en werd de vordering van eiseres definitief afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de schadevergoeding.

Uitspraak

29 februari 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/271HR
MK/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
1. ACHMEA GROND CV,
gevestigd te Amsterdam,
2. CENTRAAL BEHEER VASTGOED B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Eiseres zal hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en verweersters ook in enkelvoud als Achmea.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiseres] heeft bij exploot van 13 oktober 2003 Achmea gedagvaard voor de rechtbank Zutphen en gevorderd, kort gezegd, Achmea te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 336.932,08, met rente en kosten.
Achmea heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 oktober 2004 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij memorie van grieven heeft [eiseres] haar eis gewijzigd.
Bij arrest van 27 juni 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Achmea is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Achmea begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 29 februari 2008.