ECLI:NL:HR:2008:BC3928

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/132HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:160 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging partneralimentatie bij samenleving met gehuwde partner niet op grond van art. 1:160 BW

De man verzocht bij de rechtbank om beëindiging of nihilstelling van zijn partneralimentatieverplichting aan de vrouw per 1 januari 2006. De vrouw voerde geen verweer. De rechtbank stelde de alimentatie vast op €214 per maand. De man ging in hoger beroep, maar het gerechtshof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank. Vervolgens stelde de man beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De vrouw bleef ook in cassatie in gebreke. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de man niet tot cassatie konden leiden en dat art. 1:160 BW Pro niet toepasselijk is in de situatie van samenwonen met een partner die gehuwd is met een ander.

De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen. De uitspraak werd gedaan door een kamer van drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 11 april 2008.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de partneralimentatieverplichting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

11 april 2008
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/132HR
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. I. Aardoom-Fuchs,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 17 februari 2006 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en primair verzocht te bepalen dat de verplichting van de man tot het voldoen van partneralimentatie aan de vrouw per 1 januari 2006 is geëindigd c.q. zal worden gesteld op nihil en subsidiair verzocht de partneralimentatie vast te stellen als de rechtbank redelijk acht.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank heeft bij beschikking van 25 april 2006 de bijdrage met ingang van 1 januari 2006 vastgesteld op € 214,-.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
De vrouw heeft wederom geen verweer gevoerd.
Bij beschikking van 11 april 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 25 april 2006 bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.R.L.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 11 april 2008.