Conclusie
samenleven als waren zij gehuwd” - juist is toegevoegd om te voorkomen dat ter wille van rechtsgevolgen die aan een concubinaat verbonden zijn de voorkeur wordt gegeven aan een concubinaat boven een tweede huwelijk (vgl. HR 13 juli 2011 (lees: 2001; LK), NJ 2001, 586).
2.Inleidende opmerkingen
“gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd”met de situatie waarin de onderhoudsgerechtigde opnieuw in het huwelijk treedt. De toelichting op het amendement waarop die gelijkstelling berust, luidt als volgt [3] :
nietgelijk zijn: in een concubinaatsverhouding bestaat geen wettelijke onderhoudsplicht, hetgeen de rechter bij gelding van art. 1:160 BW Pro iedere mogelijkheid van afweging ontneemt [8] . Met het bedoelde verschil in aanspraken op levensonderhoud in een huwelijk en een concubinaat hangt samen dat de gelijkstelling van huwelijk en concubinaat in art. 1:160 BW Pro evenmin tot gelijke rechtsgevolgen leidt in het geval dat een opvolgend huwelijk respectievelijk een opvolgend concubinaat wordt beëindigd: weliswaar gaat als gevolg van die gelijkstelling de alimentatieaanspraak jegens de oorspronkelijke huwelijkspartner zowel door een opvolgend huwelijk als door een opvolgend concubinaat definitief verloren, maar anders dan bij beëindiging van een opvolgend concubinaat zal de aanvankelijk alimentatiegerechtigde partij na beëindiging van een opvolgend huwelijk zo nodig jegens haar laatste (huwelijks)partner op alimentatie aanspraak kunnen maken. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in art. 1:160 BW Pro besloten sanctie, dat aan het uitgangspunt van een restrictieve uitleg van art. 1:160 BW Pro ten grondslag ligt [9] , klemt, aldus beschouwd, voor een aan een opvolgend huwelijk gelijkgesteld concubinaat nog meer dan voor een dergelijk huwelijk.
“samenleven met een ander als waren zij gehuwd”als bedoeld in art. 1:160 BW Pro vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren [10] . In de onderhavige zaak is onder meer de vraag aan de orde of een samenwoning waarmee weliswaar aan de bedoelde (materiële) eisen wordt voldaan, ook dan vanwege het gehuwd zijn van “de ander” aan de werking van art. 1:160 BW Pro is onttrokken, indien het huwelijk van die ander opzettelijk in stand wordt gehouden teneinde te bewerkstelligen dat de (aanvankelijk) alimentatiegerechtigde op partneralimentatie aanspraak kan blijven maken (vergelijk de formulering van rov. 3.17, derde volzin).
“te voorkomen dat ter wille van rechtsgevolgen aan een concubinaat de voorkeur wordt gegeven boven een tweede huwelijk” [11] en dat
“(e)en dergelijke keuze ontbreekt indien, en voor zo lang als, een van de partners (nog) is gehuwd”. Zoals hiervóór (onder 2.2) al aan de orde kwam, stond de indiener van het betrokken amendement echter een dubbele ratio voor ogen, waarbij de wens te voorkomen dat de alimentatiegerechtigde en zijn of haar nieuwe partner vanwege de uiteenlopende rechtsgevolgen van een concubinaat en een opvolgend huwelijk een concubinaat boven een huwelijk zouden verkiezen, niet vooropstond. Ook voor de indiener van het amendement stond voorop dat de rechtsgevolgen van een materieel aan een huwelijk gelijk te stellen concubinaat van de alimentatiegerechtigde met een nieuwe partner
überhauptniet van die van een “formeel” huwelijk tussen beiden zouden mogen verschillen en dat, met andere woorden, een dergelijk concubinaat, evenals een dergelijk huwelijk, tot het einde van de aanspraken van de alimentatiegerechtigde jegens zijn of haar oorspronkelijke partner zou dienen te leiden. Tegen die achtergrond kan bezwaarlijk worden volgehouden dat het zou
“stroken”met de ratio van de geamendeerde bepaling dat een concubinaat van de alimentatiegerechtigde en een nieuwe, maar nog wél gehuwde partner de alimentatieaanspraken van de alimentatiegerechtigde onverlet laat.
“samenleven als waren zij gehuwd”van de alimentatiegerechtigde met een nieuwe maar (nog) gehuwde partner rechtvaardigt. De Hoge Raad achtte in de beschikking van 13 juli 2001 beslissend dat
“(e)en dergelijke keuze(tussen concubinaat en huwelijk)
ontbreekt indien, en voor zo lang als, een van de partners (nog) is gehuwd”. Dit op het ontbreken van keuzevrijheid gebaseerde argument is weinig overtuigend. Om te beginnen is niet duidelijk om wiens of wier keuze het gaat, alhoewel voor de hand ligt dat de keuze van de alimentatiegerechtigde en zijn of haar nieuwe partner tezamen is bedoeld. De alimentatiegerechtigde en de nieuwe partner zullen het echter niet altijd eens zijn over de vorm die zij aan hun samenleving zullen geven. Denkbaar is dat de alimentatiegerechtigde een huwelijk wenst, maar de nieuwe partner een huwelijk afwijst. De vraag rijst of in een dergelijke situatie een keuze heeft ontbroken in de zin van de beschikking, en zo neen, waarom in die situatie toepassing van art. 1:160 BW Pro, ondanks de uitgesproken wil van de alimentatiegerechtigde om een tweede huwelijk aan te gaan, wél is gerechtvaardigd. Wat de betekenis van de al dan niet gehuwde status van de nieuwe partner betreft, geldt dat óók als de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde (nog) is gehuwd, niet iedere keuzemogelijkheid ontbreekt, nu beiden ervoor kunnen kiezen het daartoe te leiden dat hun samenleving in een huwelijk wordt vormgegeven, ook al kan een dergelijk huwelijk eerst worden gesloten nadat het bestaande huwelijk van de nieuwe partner is ontbonden. Anderzijds kan het zeer wel op een bewuste keuze van partijen berusten dat de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde zijn of haar huwelijk zolang mogelijk laat voortduren, zulks ter bescherming van de alimentatieaanspraken van de alimentatiegerechtigde. De gehuwde status van de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde staat in die zin aan de door de Hoge Raad voor toepasselijkheid van art. 1:160 BW Pro kennelijk beslissend geachte keuzevrijheid niet in de weg.
“samenleven met een ander als waren zij gehuwd”inderdaad te billijken. Men kan zich echter afvragen of het een gelukkige keuze is de gewenste restrictieve toepassing na te streven door het maken van een naar mijn mening toch betrekkelijk willekeurig onderscheid tussen situaties waarin de alimentatiegerechtigde met een ongehuwde respectievelijk met een gehuwde partner samenleeft. In het licht van art. 1:160 BW Pro valt moeilijk uit te leggen waarom de met een gefortuneerde, gehuwde partner samenwonende alimentatiegerechtigde de dans ontspringt, terwijl de alimentatiegerechtigde die is gaan samenwonen met een ongehuwde partner zonder enige draagkracht, zijn of haar alimentatieaanspraken jegens de vroegere partner voor eens en voor al verliest, zonder dat daartegenover enige verbetering van zijn of haar economische positie staat. Dat in het eerste geval over de band van de behoefte van de alimentatiegerechtigde (in de woorden van A-G Huydekoper) maatwerk kan worden geleverd, helpt de met een ongehuwde, weinig draagkrachtige partner samenwonende alimentatiegerechtigde niet. En zulk maatwerk voorkomt evenmin dat de alimentatiegerechtigde die met een al dan niet gefortuneerde gehuwde partner heeft samengeleefd, na beëindiging van die samenleving jegens zijn of haar eerste partner in beginsel weer op alimentatie aanspraak kan maken, een consequentie die de indiener van het amendement waarmee het begrip
“samenleven met een ander als waren zij gehuwd”in art. 1:160 BW Pro werd geïntroduceerd, nu juist wél beoogde te voorkomen.
“indien, en voor zo lang als, een van de partners (nog) is gehuwd”, sluit uit dat rekening wordt gehouden met mogelijke intenties van de alimentatiegerechtigde en de nieuwe partner om het huwelijk van deze laatste zo lang mogelijk in stand te houden met het oog op de aan een concubinaat met een ongehuwde partner verbonden rechtsgevolgen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 19ziet op de eisen die het hof aan de stelplicht van partijen heeft gesteld.
Subonderdeel 19.1is gericht tegen het (kennelijke) oordeel van het hof dat de man aan zijn stelplicht heeft voldaan door te stellen dat het gevolg van de beschikking van de Hoge Raad van 13 juli 2001 kan zijn dat een huwelijk in stand wordt gehouden om aanspraak op partneralimentatie te kunnen blijven maken en door te stellen (volgens het subonderdeel: te suggereren) dat zulks
“in dit geval aan de orde is, dan wel lijkt te zijn”. Volgens het subonderdeel is deze stelling in hoger beroep niet nader onderbouwd, zulks terwijl aan de stelplicht van de man (en de motiveringsplicht van de rechter) hoge eisen dienen te worden gesteld, nu toepasselijkheid van art. 1:160 BW Pro aan de aanspraken van de vrouw op alimentatie een definitief einde zou maken. Door zulks te miskennen heeft het hof volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Althans heeft het hof, nog steeds volgens het subonderdeel, zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd, indien het, zonder miskenning van de aan de stelplicht van de man te stellen eisen, zou hebben geoordeeld dat de man daaraan heeft voldaan. Dit laatste geldt te meer, zo vervolgt het subonderdeel, nu de zwaardere stelplicht voor de alimentatieplichtige met een aangescherpte motiveringsplicht voor de rechter gepaard gaat.
“(d)e nieuwe partner van de vrouw (…) immers - om hem moverende redenen - geen open kaart kunnen spelen met de vrouw omtrent de voortgang van de echtscheidingsprocedure”.
“samenleven met een ander als waren zij gehuwd”sprake is. Als ten slotte de Hoge Raad de categorische uitsluiting van het concubinaat met een gehuwde partner zal loslaten en die status niet beslissend zal achten als daaraan bewust wordt vastgehouden om het intreden van de rechtsgevolgen van art. 1:160 BW Pro te voorkomen, zal het van de exacte daartoe te formuleren voorwaarden afhangen hoever de stelplicht van de partij die zich op die rechtsgevolgen beroept en de motiveringsplicht van de rechter reiken.
“een slag in de lucht”) in het geheel niet behoeft te betwisten, kan dan ook niet worden aanvaard.
dathet huwelijk van [betrokkene 1] opzettelijk (zolang mogelijk) in stand wordt gehouden. Bij verweerschrift hoger beroep, tevens incidenteel appel, heeft zij betoogd (p. 2):
“(d)e nieuwe partner van de vrouw (…) immers - om hem moverende redenen - geen open kaart (zou) kunnen spelen met de vrouw omtrent de voortgang van de echtscheidingsprocedure.”Als de vrouw inderdaad niet over nadere informatie met betrekking tot de echtscheidingsprocedure tussen [betrokkene 1] en diens echtgenote beschikte en/of niet met de (werkelijke) intenties en motieven van [betrokkene 1] bekend was, had de vouw zulks minst genomen in rechte kunnen aanvoeren. Nu zij hieromtrent niets heeft verklaard en heeft volstaan met de stelling dat zij zelf het verloop van de echtscheidingsprocedure van [betrokkene 1] niet kan beïnvloeden, acht ik het oordeel van het hof dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, niet onbegrijpelijk.
enkele feitdat de vrouw in mei 2010 haar intrek bij [betrokkene 1] heeft genomen, niet is te rijmen met het oogmerk om verzorging na haar operatie in juni 2010 te hebben en de intentie om de situatie
tijdelijkte doen zijn.
nietde samenwoning als zodanig betreft. Met betrekking tot de wederzijdse verzorging, de samenwoning en de gemeenschappelijke huishouding verlangt de Hoge Raad dat de (duurzame) affectieve relatie een en ander meebrengt.
“samenleven met een ander als waren zij gehuwd”niet uitsluit, blijkt in het bijzonder uit de rechtspraak over het proefhuwelijk. De Hoge Raad oordeelde dat
“noch de wet (art. 160 boek Pro 1 BW), noch de geschiedenis van haar totstandkoming grond opleveren om aan te nemen dat van ‘gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd’ geen sprake zou zijn, indien dit gaan samenleven geschiedt met de bedoeling om die samenleving niet blijvend te doen zijn, doch om in het huwelijk te treden wanneer de proef zou slagen en uiteen te gaan wanneer dit niet het geval zou zijn” [17] . In zijn conclusie voor de desbetreffende beschikking merkte A-G Kist op:
“Als de samenwonenden hun intentie niet op een duurzame samenleving hebben gericht, maar op een tijdelijk samenleven, is er geen sprake van samenleven met een ander als waren zij gehuwd.” [18] . Het is echter twijfelachtig of Van den Anker met de geciteerde opmerking daadwerkelijk de samenwoning en niet de affectieve relatie van duurzame aard op het oog heeft. Na de verschillende vereisten (een affectieve relatie van duurzame aard, wederzijdse verzorging, samenwoning en gemeenschappelijke huishouding) te hebben onderscheiden, maakt Van den Anker de geciteerde opmerking in het kader van de bespreking van het eerste vereiste
(“Allereerst moet er sprake zijn van een affectieve relatie. (…) Het vereiste ‘duurzaamheid’ houdt in dat de samenwonenden de intentie hebben voor onbepaalde duur een bestendige relatie met elkaar te hebben.”, na welke passage de geciteerde opmerking volgt). Het vereiste van de samenwoning wordt later besproken, zonder dat daarbij de duurzaamheid ter sprake wordt gebracht (
“(…) Het derde criterium is dat de alimentatiegerechtigde met een ander moet samenwonen. (…)”). Wat er van dit alles zij, naar mijn mening mag, in het geval dat een affectieve relatie van duurzame aard vaststaat, aan een feitelijke samenwoning van langere duur (in de woorden van Kist: met een zekere mate van feitelijke duurzaamheid) niet de eis worden gesteld dat betrokkenen ook de intentie hebben die samenwoning duurzaam te doen zijn. Een andere opvatting vindt geen steun in de wet en de geschiedenis van totstandkoming daarvan en zou naar mijn mening tot een te restrictieve uitleg van art. 1:160 BW Pro leiden. Dat verschillend over de “alles of niets”-bepaling van art. 1:160 BW Pro wordt gedacht, neemt niet weg dat de minister van Justitie in 2002 (na overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten) heeft besloten de bepaling ongewijzigd te handhaven [19] en dat, zolang de wetgever de bepaling wenst te handhaven, de uitleg daarvan niet dermate restrictief dient te zijn dat zij in de praktijk nauwelijks nog valt toe te passen.
“de vrouw in ieder geval op en na 1 mei 2010 met [betrokkene 1] heeft samengewoond”en
“(d)e operatie die de vrouw begin juni moest ondergaan, (…) derhalve niet de reden (kan) zijn geweest om bij [betrokkene 1] te gaan wonen”. Ook voor zover het onderdeel over onbegrijpelijkheid van dit oordeel klaagt, kan het niet tot cassatie leiden. Waar het onderdeel onder 21.2 aanvoert dat het enkele feit dat de vrouw in mei 2010 haar intrek bij [betrokkene 1] heeft genomen, niet te rijmen zou zijn met het oogmerk om na haar operatie in juni 2010 verzorging te hebben en met de intentie om de situatie tijdelijk te laten zijn, mist het allereerst feitelijke grondslag. Het hof heeft niet heeft vastgesteld dat de vrouw eerst in (de loop van de maand) mei haar intrek bij [betrokkene 1] heeft genomen, maar dat zij in ieder geval op en na 1 mei 2010 met [betrokkene 1] heeft samengewoond, hetgeen impliceert dat zij al vóór mei 2010 haar intrek bij [betrokkene 1] moet hebben genomen. In het licht van die vaststelling is het oordeel dat de behoefte van de vrouw aan verzorging na de operatie die zij eerst in juni 2010 moest ondergaan, niet de reden kan zijn geweest om met [betrokkene 1] te gaan samenwonen, geenszins onbegrijpelijk. Of de vrouw en [betrokkene 1] overigens de intentie hadden die samenwoning tijdelijk te doen zijn, doet in het licht van hetgeen hiervóór (onder 3.16) reeds aan de orde kwam, niet ter zake.
“dat zij om financiële redenen min of meer gedwongen is geweest om langer bij [betrokkene 1] te verblijven”. Volgens het hof faalt deze stelling op twee (zelfstandig dragende) gronden: in de eerste plaats had de vrouw een bijstandsuitkering kunnen aanvragen en elders woonruimte kunnen huren, in de tweede plaats had de vrouw evenzeer de mogelijkheid om bij haar moeder of haar zus te verblijven. De eerste mogelijkheid is tijdens de behandeling ten overstaan van het hof op 2 februari 2012 door de advocaat van de man aan de vrouw tegengeworpen (proces-verbaal, p. 2), kennelijk zonder dat de vrouw die mogelijkheid toen heeft weersproken. Hetgeen de vrouw thans tegen die mogelijkheid aanvoert, is een novum waarvoor in cassatie geen plaats is. De tweede mogelijkheid staat volgens het hof als onvoldoende weersproken vast. Aan dit een en ander heeft het hof geen andere conclusie verbonden dan dat de vrouw haar stelling dat zij geen andere keus had dan bij [betrokkene 1] te blijven wonen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt (en dat dus niet kan worden aangenomen dat het ontbreken van ieder alternatief de reden is geweest waarom de vrouw bij [betrokkene 1] is blijven wonen). Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het hof zou hebben geconcludeerd dat de vrouw, waar zij een andere keuze had, niet de intentie had om haar verblijf tijdelijk te doen zijn, mist het feitelijke grondslag. Overigens zou, zoals al eerder aan de orde kwam, een dergelijke (verborgen) intentie niet afdoen aan het “samenwonen met een ander als waren zij gehuwd”. Voor zover het onderdeel ten slotte teruggrijpt op de eerdere klachten over de stelplicht (en bewijslast) van de man, kan het evenmin als die eerdere klachten slagen.
“Het hof is overigens van oordeel dat ook de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw (…) is komen te vervallen (…).”). Als de onderdelen 1 en 2 niet tot cassatie kunnen leiden, heeft de vrouw bij de klacht van het onderdeel geen belang.