ECLI:NL:HR:2008:BC5706

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/239HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering wegens onrechtmatige daad bij inning legaat

Deze zaak betreft een geschil tussen erfgenamen en een legataris over de rechtsgeldigheid van een codicil en de vraag of de legataris onrechtmatig heeft gehandeld door het legaat te innen. De erfgenamen vorderden een verklaring voor recht dat de legataris onrechtmatig had gehandeld en eisten schadevergoeding.

De rechtbank wees de vorderingen van de erfgenamen af, en het gerechtshof bekrachtigde dit vonnis. De erfgenamen stelden vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, mede gelet op artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering.

De Hoge Raad veroordeelde de erfgenamen in de kosten van het geding in cassatie en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken. De zaak illustreert de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van feiten en omstandigheden in cassatie en benadrukt het belang van rechtszekerheid bij erfrechtelijke geschillen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de erfgenamen wordt verworpen en de eerdere afwijzing van hun vorderingen bevestigd.

Uitspraak

18 april 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/239HR
IV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiser 2],
3. [Eiser 3],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] c.s. hebben bij exploot van 3 december 2002 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank 's-Hertogenbosch en gevorderd, kort gezegd, verklaring voor recht dat [verweerder] jegens hen en jegens de nalatenschap van de erflater [betrokkene 1] onrechtmatig heeft gehandeld, en dat [verweerder] deswege gehouden is tot betaling van een schadevergoeding en veroordeling tot betaling van een bedrag van € 451.860,11.
[Verweerder] heeft verweer gevoerd.
Bij tussenvonnis van 12 mei 2004 heeft de rechtbank [verweerder] toegelaten tot bewijslevering.
De rechtbank heeft bij eindvonnis van 2 februari 2005 de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen.
Tegen de vonnissen van de rechtbank hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 16 mei 2006 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 5.905,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 april 2008.