ECLI:NL:PHR:2008:BC5706
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid codicil en onrechtmatige daad bij inning legaat in fideï-commis nalatenschap
De zaak betreft de geldigheid van een handgeschreven codicil van een erflater die was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en benoemd tot enig erfgenaam bij erfstelling fideï-commis de residuo. De erflater had een codicil opgesteld waarin hij een legaat aan verweerder toekende van roerende goederen ondergebracht bij een Belgische bank. De verwachters, erfgenamen van de echtgenote en mede-erfgenamen, stelden dat het codicil niet rechtsgeldig was en dat verweerder onrechtmatig had gehandeld door het legaat te innen.
De rechtbank oordeelde dat het codicil formeel geldig was volgens het Haags Testamentsvormenverdrag en het Belgische recht, en dat het legaat aan verweerder toekomt. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de verwachters geen belang hadden bij hun vorderingen omdat het legaat uit het aandeel van de erven moest worden betaald, en dat zij geen schade hadden geleden. Het hof benadrukte dat de huwelijksgemeenschap nog niet was verdeeld en dat de nalatenschappen gezamenlijk moesten worden verdeeld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verwachters. Hij bevestigde dat het codicil rechtsgeldig is en dat verweerder als legataris recht heeft op afgifte van de gelegateerde goederen jegens de erven. De Hoge Raad oordeelde dat de verwachters geen belang hebben bij hun vorderingen tot nietigverklaring of schadevergoeding, aangezien het legaat uit het erfdeel van de erven wordt voldaan en geen schade aan de verwachters is vastgesteld. Tevens werd geoordeeld dat de stelplicht van de verwachters niet is voldaan en dat bewijslevering niet tot een ander oordeel kan leiden.
Uitkomst: Het handgeschreven codicil is rechtsgeldig en de vorderingen van de verwachters worden afgewezen wegens gebrek aan belang en schade.