ECLI:NL:HR:2008:BC6629

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/072HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na ongeval

Eiser vorderde van Interpolis uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van gezondheidsklachten die hij had opgelopen tijdens zijn werkzaamheden. Na een procedure bij de rechtbank Breda, waar een deskundigenbericht werd gelast, wees de rechtbank de vordering af. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bekrachtigde dit vonnis in hoger beroep. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het beroep van eiser verworpen. De klachten die eiser in cassatie aanvoerde, waren onvoldoende om tot cassatie te leiden. Gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet nodig omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde eiser tevens in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest werd gewezen door de raadsheren P.C. Kop (voorzitter), F.B. Bakels en W.D.H. Asser en op 25 april 2008 in het openbaar uitgesproken door W.D.H. Asser.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de vordering tot uitkering afgewezen.

Uitspraak

25 april 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/072HR
IV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
INTERPOLIS SCHADE N.V.,
gevestigd te Tilburg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Interpolis.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 9 juni 2000 Interpolis gedagvaard voor de rechtbank Breda en gevorderd, kort gezegd, om aan hem ter zake van opgelopen letsel bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden verschuldigde uitkeringen te doen, met nevenvorderingen.
Interpolis heeft de vordering bestreden.
Na op 21 augustus 2001 een eerste tussenvonnis te hebben uitgesproken, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 22 januari 2002 een deskundigebericht gelast.
De rechtbank heeft bij eindvonnis van 6 augustus 2003 de vordering van [eiser] afgewezen.
Tegen de vonnissen van de rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 17 oktober 2006 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Interpolis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Interpolis begroot op € 476,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 25 april 2008.