ECLI:NL:HR:2008:BC9185
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- F.W.G. van Brunschot
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Verdeling heffingsbevoegdheid ontslagvergoeding bij grensoverschrijdende dienstbetrekking
Belanghebbende was van 1976 tot 1998 in dienst bij een bank en werkte vanaf 1996 tot 1998 in Engeland. Na ontevredenheid over zijn functioneren werd zijn dienstverband ontbonden en ontving hij een ontslagvergoeding van ƒ 1.800.000, waarvan ƒ 600.000 werd uitbetaald met inhouding van loonbelasting.
De Inspecteur hield de inhouding stand, waarop belanghebbende bezwaar maakte en in hoger beroep ging. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de heffingsbevoegdheid geheel aan Nederland toekomt, omdat de vergoeding onvoldoende verband hield met het arbeidsverleden in Engeland.
De Hoge Raad vernietigt dit arrest, oordeelt dat de heffingsbevoegdheid moet worden verdeeld volgens de richtlijn in het verwijzingsarrest op basis van het arbeidsverleden, en dat Nederland slechts een deel (36,3%) mag belasten. De zaak wordt verwezen naar het Hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.
De Hoge Raad wijst tevens de Staatssecretaris van Financiën aan om de proceskosten te vergoeden en bepaalt dat de Staat het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage met instructie tot toepassing van de richtlijn voor verdeling van de heffingsbevoegdheid.