ECLI:NL:HR:2004:AF7816
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing ontslagvergoeding bij grensoverschrijdende arbeidsrelatie en toepassing belastingverdrag
Belanghebbende was tot 1998 in dienst bij een bank en ontving een ontslagvergoeding na ontbinding van zijn dienstverband. Hij woonde en werkte aanvankelijk in Nederland, daarna in Engeland. De Inspecteur hield loonbelasting in over de ontslagvergoeding, maar belanghebbende maakte bezwaar. Het hof oordeelde dat de ontslagvergoeding niet in Nederland belast kon worden omdat de dienstbetrekking bij ontslag uitsluitend in Engeland werd uitgeoefend en belanghebbende daar woonde.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door alleen te kijken naar de plaats van feitelijke dienstbetrekking bij ontslag. Volgens de Hoge Raad moet de heffingsbevoegdheid worden verdeeld naar het arbeidsverleden over de relevante jaren, tenzij bijzondere omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen. De Hoge Raad formuleert een richtlijn waarbij de vergoeding wordt toegerekend aan de staten waarin is gewerkt, naar verhouding van de genoten beloning in die staten.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze richtlijnen. De uitspraak bevat ook een toelichting op de verschillende categorieën van ontslagvergoedingen en hun fiscale behandeling volgens het belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor herbeoordeling volgens de richtlijnen voor toewijzing van heffingsbevoegdheid op basis van arbeidsverleden.