ECLI:NL:HR:2008:BC9945
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Vaststelling overeenkomst van geldlening door vader aan zoon ondanks ontbreken directe betaling
De vader had een vordering ingesteld tegen zijn zoon en een derde partij tot betaling van een geldbedrag van ƒ 111.800,--, stellende dat hij een geldlening had verstrekt. De rechtbank wees de vordering af, het hof bekrachtigde dit oordeel met de overweging dat de vader onvoldoende had onderbouwd dat daadwerkelijk een geldbedrag was verstrekt.
De vader stelde in hoger beroep dat de lening ook bestond uit het voorschieten van gelden aan derden ten behoeve van de zoon, met de afspraak dat de zoon deze bedragen zou terugbetalen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door te veronderstellen dat een geldlening alleen bestaat bij daadwerkelijke uitreiking van geld aan de lener.
De Hoge Raad stelde dat een geldlening ook kan bestaan indien de uitlener een geldsom aan een derde betaalt met het oog op levering van goederen of diensten aan de lener, mits terugbetaling is afgesproken. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling en beslissing.